Wat is het?

Een visuele beperking kan op twee manieren worden omschreven; de medische definitie en de functionele definitie.

 

Medische definitie

Iemand is volgens de medische richtlijnen blind wanneer hij/zij een gezichtsveld heeft dat kleiner is dan 20 graden (normaal met twee ogen ongeveer 140o horizontaal en 80o vertikaal), of met het beste oog én gebruik van visuele hulpmiddelen zoals een bril iets pas kan zien op 20 meter afstand – of minder – wat een gemiddeld persoon (zonder visuele beperking) kan zien op 200 meter afstand. Dit laatste wordt weergegeven in 20/200, waarbij het eerste getal staat voor het aantal meter waarop de persoon in staat is het voorwerp te zien, en het tweede getal de afstand aangeeft waarop een gemiddeld persoon zonder visuele beperking het voorwerp kan zien.

Iemand is in medische termen slechtziend wanneer hij/zij met het beste oog kan zien tussen de 20/70 en de 20/200 mét gebruik van visuele hulpmiddelen zoals een bril.

 

Functionele definitie

De functionele definitie van blindheid en slechtziendheid is ontstaan vanuit de praktijk; men stelt hierbij de blindheid of slechtziendheid vast vanuit de functionele visuele beperkingen van een persoon. Hierbij wordt bijvoorbeeld gekeken of iemand gedrukte tekst nog kan lezen (eventueel vergroot of met sterk contrast), of dat iemand alleen met gebruik van braille kan lezen of gebruik moet maken van auditieve vertalingen. Het komt namelijk voor dat iemand die zich buitenshuis met behulp van een taststok moet bewegen, wel in staat is om teksten met kleine letters te lezen.

Deze vorm van definitie is een vrij onbegrensde; er zijn geen duidelijke criteria opgesteld waaraan iemand moet voldoen om tot de blinde of slechtziende categorie te worden gerekend (met uitzondering van de kleine groep mensen die in zijn geheel géén restvisus heeft, en dus geheel en zonder twijfel blind is).

 

Hoe vaak het voorkomt

Over het algemeen gezien is een visuele beperking de minst voorkomende vorm van een beperking; auditieve, lichamelijke en verstandelijke beperkingen komen allemaal duidelijk vaker voor. In Nederland zijn er ongeveer 320.000 blinden of slechtzienden, hiervan zijn volgens de medische definitie ongeveer 45.000 mensen blind en 275.000 mensen slechtziend. Een zeer groot deel van de mensen met een visuele beperking is 50 jaar of ouder; slechts 0,03% van de gehele bevolking in Nederland bestaat uit kinderen van 0-14 jaar met een visuele beperking.

Door de vergrijzing die op dit moment in Nederland aan de orde is, wordt tot 2020 een stijging verwacht van 35% van het aantal mensen met een visuele beperking.

 

De bouw en werking van het oog

Het oog is een zeer ingewikkeld onderdeel van het menselijk lichaam, met veel verschillende onderdelen die elk hun eigen functie hebben. Objecten zijn zichtbaar doordat licht op het object schijnt en de lichtstralen worden afgekaatst. Deze lichtstralen vallen het oog binnen door de pupil (het zwarte rondje op de voorkant van het oog. De pupil is een te verkleinen en vergroten opening in het midden van de iris (het gekleurde rondje rondom de pupil); beiden worden beschermd door het erop gelegen doorzichtige hoornvlies (de ‘cornea’). Het verkleinen en vergroten van de pupil vind plaats op basis van de sterkte van het licht dat het oog binnenvalt; wanneer er véél licht is zal de iris de opening van de pupil verkleinen om te voorkomen dat het oog verblind wordt, en wanneer er weinig licht binnenvalt zal de iris verwijden zodat de opening wordt vergroot en er zoveel mogelijk lichtstralen het oog kunnen binnenkomen om iets te kunnen zien.

Achter de pupil bevindt zich de ooglens, die zich door middel van de lensspieren bol en plat kan maken om de lichtstralen in een duidelijke en scherpe vorm (die van het bekeken object) samen te kunnen laten vallen op het achtergelegen netvlies. Hoe boller de lens is, hoe sterker de lichtstralen worden afgebogen. Wanneer iemand wazig ziet, worden de lichtstralen bijvoorbeeld te sterk of te zwak afgebogen waardoor ze niet op de juiste plaatsen op het netvlies vallen.

Het netvlies zit op de gehele achterwand van het oog, en bestaat uit sensoren die het licht/beeld opvangen (dit wordt gespiegeld waargenomen door de werking van de ooglens) en omzetten in elektrische impulsen die via de oogzenuw worden doorgegeven aan de hersenen. De hersenen spiegelen het beeld vervolgens weer terug in de oorspronkelijke vorm waardoor de persoon het beeld goed waarneemt.

Een oog is in staat zijn vorm te behouden door een vulling van een heldere, geleiachtige vloeistof (het ‘glasachtige lichaam’). Daarbij beschermt de harde oogrok (ook wel ‘sclera’ genoemd) het oog tegen beschadigingen.

oog plaatje 1

 

Diagnostiek

Visuele vermogens worden in de meeste gevallen eerst gemeten met de Snellenkaart:

oog plaatje 2

 

De kleinste regel die voor iemand leesbaar is (met gebruik van visuele hulpmiddelen zoals een bril) geeft aan wat voor visuele mogelijkheden iemand heeft door middel van de naast de regel weergegeven scores: 20/200 tot en met 20/20.

Voor mensen zonder kennis van lettertekens zijn er varianten beschikbaar waarbij bijvoorbeeld moet worden aangegeven in welke richting de drie pootjes van de hoofdletter ‘E’ wijzen (de letter is dan steeds in één van de vier richtingen gespiegeld).

De Snellenkaart is handig voor snelle diagnostiek, maar er zijn drie aandachtspunten. Ten eerste: de kaart is geschikt voor het bepalen van visuele mogelijkheden als het gaat om kijken op afstand (in de verte). Hij meet echter niet de visuele mogelijkheden wat betreft het dichtbij kijken. Hiervoor zijn wel andere (vergelijkbare) tests beschikbaar die worden uitgevoerd op leesafstand van de ogen.

Ten tweede: De snellenkaart meet uitsluitend de mate waarin iemand in staat is details te onderscheiden. Veel mensen met een visuele beperking worden echter (meer) beperkt in hun zicht doordat ze bijvoorbeeld niet goed in staat zijn hun oogbewegingen onder controle te houden (ergens op te richten of stil te houden op één punt), of aandacht te besteden aan details die zij waarnemen. Ook kunnen sommige mensen moeilijk vormen van een achtergrond onderscheiden; bij letters op een wit papier zoals bij een Snellenkaart wordt deze vaardigheid niet meegewogen.

Tot slot: een dergelijke meting van de visuele mogelijkheden komt niet altijd overeen met de visuele mogelijkheden die een persoon in het algemeen dagelijks leven ervaart. Het zicht kan bijvoorbeeld (ernstig) beperkt worden door scherp of gereflecteerd (zon)licht. De mate waarin de persoon in zo’n geval visueel beperkt is wordt niet vastgesteld bij een meting in een kamer met een Snellenkaart.

Voor een totale vaststelling van de visuele mogelijkheden van een persoon is het daarom belangrijk om een functionele meting uit te voeren. Hierbij wordt de persoon geobserveerd tijdens zijn/haar dagelijkse activiteiten, waarbij gekeken wordt hoe de omstandigheden (lichtsterkte etc.) van de situatie van invloed zijn op het functioneren. Activiteiten die bijvoorbeeld kunnen worden geobserveerd zijn het lezen, het voortbewegen binnenshuis en buitenshuis, etc.


Leave a Reply