Psychologische en Gedragskenmerken

Taalontwikkeling

Over het algemeen lijkt het gemis van visuele informatie niet van invloed is op de taalontwikkeling. Dit is een vrij logisch gevolg van het feit dat taal toch door het horen van taal wordt ontwikkeld. Mensen met een visuele beperking zijn soms zelfs meer gemotiveerd om taal te leren omdat juist het gebruik van taal erg functioneel is in hun leven en communicatie met anderen. Het is wel mogelijk dat het koppelen van een woord (bijvoorbeeld molen) aan de complete vorm en kenmerken van het object (een echte molen in een weiland) langer duurt doordat zij de voelbare vorm van de betekenis moeten opslaan. Dit is echter sterk individueel bepaald.

 

Verstandelijke vermogens

Er zijn (afgezien van de gevallen waarin een visuele beperking samengaat met een verstandelijke beperking) geen redenen om te denken dat mensen met een visuele beperking minder goede verstandelijke vermogens hebben dan ieder ander persoon. Blindheid of slechtziendheid hebben géén effect op de verstandelijke ontwikkeling. Het is echter bij het testen van intelligentie belangrijk om een testmethode te gebruiken die niet interfereert met de visuele beperking; het leggen van blokpatronen als onderdeel van de WISC-III-R is bijvoorbeeld een onderdeel dat de IQ-score van een persoon met een visuele beperking erg onbetrouwbaar maakt.

Het conceptueel denkvermogen (het vermogen om verbanden te leggen, het grotere geheel te overzien en relaties te herkennen, bijvoorbeeld tot uiting komend in het ontwikkelen van een mentale kaart van ruimtes; het besef van voor, achter, onder, boven, etc.) ligt in de eerste levensfase van een kind met een aangeboren visuele beperking wél op een lager niveau dan dat van andere kinderen van dezelfde leeftijd. Dit wordt verklaard vanuit het feit dat deze kinderen in de beginjaren erg gefocust zijn op de beeldvorming van de omgeving vanuit het voelen en aanraken. Het zien van patronen en verhoudingen tussen dingen is dan in eerste instantie niet gemakkelijk te ontwikkelen. Wanneer een kind de leeftijd bereikt dat hij/zij goed kan communiceren met de omgeving, wordt deze achterstand snel ingehaald doordat ze verbaal de informatie verzamelen die ze nodig hebben.

Het voelen en aanraken (de tast) blijft echter voor mensen met een visuele beperking een belangrijk onderdeel van hun leven; de tast vervangt in veel gevallen het zien.

Een groot verschil in ontwikkeling(smogelijkheden) tussen mensen met en zonder visuele beperking is dat mensen zonder beperking de wereld als het ware ‘op zich af zien komen’, terwijl iemand met een visuele beperking overal actief naar op zoek moet gaan. Baby’s en peuters zonder een beperking worden over hoofdzakelijk gedreven in hun ontwikkeling door hun gehoor en door het zien van uitdagende en interessante dingen. Hierdoor ontwikkelen ze onder andere ook hun motoriek, die hen vervolgens in toenemende mate in staat stelt de wereld verder en verder te ontdekken. Kinderen met een visuele beperking moeten hiervoor meer moeite doen, waardoor de vroegkinderlijke ontwikkeling op bepaalde vlakken wat vertraging op kan lopen (denk bijvoorbeeld aan de motoriek, maar ook aan het ontdekken van vormen, materialen, interpersoonlijke gedragingen, emoties, etc.). Deze exploratie is dan ook iets wat erg belangrijk is om als ouders en andere betrokkenen aan te moedigen bij kinderen met een visuele beperking (met name in de baby- en peutertijd).

 

Oriëntatie en mobiliteit

Ter compensatie van een visuele beperking zijn vaardigheden met betrekking tot het oriëntatievermogen (ten opzichte van de ruimte, andere mensen/objecten etc.) en de persoonlijke mobiliteit in de thuisomgeving en daarbuiten.

Er zijn twee manieren waarop mensen met een visuele beperking zichzelf in de ruimte oriënteren; middels het onthouden van sequentiële routes van en naar bepaalde punten in de ruimte, en door cognitieve kaartente visualiseren. De stratiegie met behulp van sequentiële routes is de minst effectieve van de twee. Mensen onthouden hierbij in termen van bewegingen/acties hoe ze van punt A naar punt B komen, en vervolgens van punt B naar punt C kunnen. Men maakt hierbij géén gebruik van een cognitieve kaart, waardoor iemand geen inzicht heeft in kortere ‘binnendoor’-routes. Een directe route van A naar C wordt niet herkend doordat de positie van de punten ten opzichte van elkaar niet cognitief in kaart worden gebracht.

De strategie waarbij men cognitieve kaarten ontwerpt (d.w.z. het cognitief opslaan van de onderlinge positie van punten ten opzichte van elkaar) biedt meer mogelijkheden en bewegingsvrijheid. Door het inzicht in de onderlinge verhoudingen (in ligging en afstand) van verschillende punten in de omgeving, is men in staat om door het leggen van verbanden nieuwe routes te ontwikkelen. Een persoon is met deze strategie meer flexibel in zijn mobiliteit en heeft een beter toepasbaar oriëntatievermogen. De moeilijkheid van deze strategie komt voort uit het feit dat iemand met een visuele beperking elke nieuwe omgeving in details moet verkennen, en van al deze details een cognitieve kaart op moet stellen. Hij of zij is immers niet in staat (zoals iemand zonder visuele beperking) om in één oogopslag een globaal overzicht van een ruimte waar te nemen.

Motivatie en adequate instructie ten aanzien van het ontwikkelen van oriëntatievermogen en mobiliteit zijn erg belangrijke factoren in het uitgroeien tot iemand die zich succesvol en zelfverzekerd verplaatst in de samenleving.

Het vermogen dat sommige mensen met een visuele beperking hebben om obstakels te herkenen (ook wel echolocatie genoemd) blijkt te ontstaan uit het kunnen waarnemen van minieme veranderingen in de dichtheid van geluidsgolven van de hogere frequenties in geluid. De terugkaatsing (of juist de afwezigheid) van deze geluidsgolven geeft hen informatie over de afstand tot het ‘obstakel’; bijvoorbeeld een muur, een grote open ruimte, etc. Het principe is vrijwel gelijk aan dat van een vleermuis, die ultrasone geluidsgolven uitzend om zich een beeld te vormen van de omgeving en de plaats van voedsel. De mens kan de gebruikbare geluidsgolven produceren door bijvoorbeeld te tikken met de taststok, door een klikkend geluid te maken met de mond, of met behulp van een apparaatje dat klikkende/tikkende geluiden maakt.

Het is niet zo dat de vaardigheid om met deze methode obstakels te herkennen leidt tot enorme bewegingsvrijheid en bewegingseffectiviteit. Omgevingsgeluiden (vooral buitenshuis) kunnen ertoe leiden dat de informatie die met behulp van de echolocatie wordt verzameld niet goed hoorbaar. Ook kan iemand om op tijd te kunnen reageren zich niet al te hard voortbewegen. Echolocatie is dus geen methode om volledig op te vertrouwen wat betreft mobiliteit en ruimtelijke oriëntatie; het is wel een mogelijk hulpmiddel, maar vrij moeilijk om te leren (mede door de afhankelijkheid van het feit of de persoon de hoogfrequente geluiden kan oppikken).

Ten aanzien van de ruimtelijke oriëntatie en de persoonlijke mobiliteit verwachten veel mensen dat bij iemand met een visuele beperking (door het feit dat hij/zij geen of weinig gebruik kan maken van het zien) zijn andere zintuigen zoals het reukvermogen, de tast en het horen extreem goed ontwikkeld worden. Dit is echter een misverstand; de functionerende zintuigen van mensen met een visuele beperking zijn niet beter ontwikkeld dan bij mensen zonder visuele beperking. Wel is het zo dat – doordat zij meer afhankelijk zijn van de wel functionerende zintuigen – ze vaak beter gebruik maken van de informatie die via deze zintuigen wordt verkregen; ze zijn in staat minieme verschillen waar te nemen ten opzichte van mensen zonder visuele beperking. Functioneel zijn de zintuigen dus even gevoelig, maar mensen zonder beperking worden alleen niet ‘gemotiveerd’ om zo precies gebruik te maken van de informatie die ze via hun zintuigen binnenkrijgen omdat zij de informatie vaak al verkrijgen via het zien.

 

Schoolse vaardigheden

Er zijn vrijwel geen aanwijzingen dat de ontwikkeling van schoolse vaardigheden zoals lezen, rekenen, etc. gemakkelijker verloopt bij kinderen zonder visuele beperking dan bij kinderen met een visuele beperking. Daar waar studies een achterstand van de laatste groep ten opzichte van de eerste groep suggereren moet men zich afvragen of er geen negatief beïnvloedende factoren een rol hebben gespeeld zoals het stellen van lagere verwachtingen voor blinde of slechtziende kinderen, maar ook of het gebruikte lesmateriaal wel optimaal was ten opzichte van de beperking van het kind (bijvoorbeeld: heeft het kind braille geleerd wanneer nodig, en is het lesmateriaal vervolgens in braille aanwezig?). De algemene conclusie is daarom dat, wanneer de omstandigheden voor beide groepen aansluiten op de behoefte, er geen verschil bestaat in de ontwikkeling van schoolse vaardigheden.

 

Sociaal functioneren

Het sociaal functioneren van iemand met een visuele beperking is in principe niet minder ontwikkeld dan van iemand zonder visuele beperking. Er zijn echter wel drie (mogelijke) vrij grote factoren die het sociale functioneren moeilijker maken voor iemand met een visuele beperking: de visuele component van communicatie tussen mensen, het ongemakkelijke gevoel dat bij veel ziende mensen ontstaat wanneer zij worden geconfronteerd met iemand die blind of slechtziend is, en de stereotype bewegingen/gedragingen die mensen met een visuele beperking soms uiten.

De visuele component van communicatie tussen mensen zonder visuele beperking is een belangrijk onderdeel. Men geeft bijvoorbeeld door middel van gezichtsuitdrukkingen of lichaamshouding belangrijke informatie over de inhoud van een gesprek; maak je een grapje, ben je serieus, toon je interesse en aandacht, begrijp je het verhaal of kijk je verward, etc.

Deze gedragingen leert iemand al vanaf heel jonge leeftijd door anderen te observeren en te imiteren; dit begint al in de babytijd. Door een visuele beperking worden gezichtsuitdrukkingen voor iemand die deze niet kan waarnemen bij anderen (of bij zichzelf) moeilijk om te leren interpreteren en in te zetten in de eigen communicatie. Dit kan in de sociale interactie met een ziende persoon vrij gemakkelijk tot verwarring leiden, bijvoorbeeld wanneer een vrolijk onderwerp gesproken wordt en de persoon met de visuele beperking een norse of uitdrukkingloze gezichtsuitdrukking heeft. Andersom kan ook verwarring ontstaan; bijvoorbeeld wanneer de ziende persoon een sarcastische opmerking maakt waarbij de lichaamstaal en een knipoog duidelijk moeten maken dat hij/zij het goed bedoeld. De persoon met de visuele beperking mist deze visuele informatie en zou daardoor de opmerking verkeerd kunnen interpreteren. Het is daarom belangrijk dat kinderen gericht wordt geleerd hoe zij gezichtsuitdrukkingen kunnen uiten en toepassen in sociale communicatie, zodat zij in elk geval vanuit hun eigen kant de juiste (en eenduidige) boodschap aan de ontvanger kunnen overbrengen. Aan de gesprekspartner kan vervolgens gevraagd worden om de inhoud en bedoeling van zijn/haar visuele uitingen te vertalen in het gesprek. Zo kunnen interpretatiefouten van beide kanten worden geminimaliseerd. Dit doet men normaal gesproken in het dagelijks leven al wanneer een telefoongesprek wordt gevoerd (bijvoorbeeld in de vorm van hardop lachen, ‘oke’, ‘hm-hmmm’, duidelijke intonatie, etc.).

Het ongemakkelijke gevoel (of onwennigheid) dat bij ziende mensen vaak ontstaat wanneer zij worden geconfronteerd met iemand met een visuele beperking staat spontane sociale interactie vaak in de weg. Hierdoor wordt bij een deel van de mensen met een visuele beperking een soms verregaande behoefte gevoeld om maar zo normaal mogelijk over te komen, zodat mensen zonder beperking hen niet raar/afwijkend/incompetent/eng vinden en de drempel om met elkaar om te gaan verdwijnt. Deze drempel wordt vaak door beide kanten ervaren, en zorgt voor beide kanten voor een ongemakkelijk gevoel. Hierin ligt meteen het antwoord op het vraagstuk ‘hoe nemen we de drempel weg’, namelijk: beide partijen kunnen kennis over elkaars mogelijkheden en beperkingen vergaren, begrip tonen en zich inleven in elkaars situatie. Hierdoor komt men nader tot elkaar, verdwijnt (in elk geval een groot deel van) de onwennigheid en voelt men zich allebei zekerder ten aanzien van de wederzijdse sociale waardering/acceptatie.

De stereotype bewegingen/gedragingen die sommige personen met een visuele beperking uiten kunnen het sociaal functioneren belemmeren doordat het voor derden als raar/eng kan worden ervaren. Voorbeelden zijn: wiegen met het bovenlichaam, herhaalde vinger- of handbewegingen, prikken of wrijven in de ogen, en het trekken van grimassen. Ze kunnen al in de babytijd ontstaan maar de reden is niet geheel duidelijk. Het kan zijn dat de stereotype gedragingen een manier zijn voor iemand om een gebrek aan sensorische of sociale stimulatie te compenseren (door zelf prikkels te creëren), maar ook om een overvloed van sensorische prikkels te structureren/reguleren (door eigen, sterkere prikkels te creëren die de overvloed aan andere prikkels op de achtergrond drijft). Ook over de wijze waarop men met de stereotype bewegingen/gedragingen om moet gaan is nog geen duidelijkheid. In een deel van de gevallen is afleren gewenst om negatieve invloed op de persoonlijke ontwikkeling (het leerproces en het sociaal functioneren) te voorkomen, of omdat de gedraging dermate schadelijk is – bijvoorbeeld wanneer iemand zeer hardhandig in de ogen wrijft of prikt – dat de persoonlijke veiligheid in het geding is. Bij anderen zijn het juist de stereotype bewegingen/gedragingen die hen helpen het maximale uit hun functioneren te halen door egalisering van sensorische prikkels; dit zijn vaak de minder intensieve gedragingen die niet schadelijk zijn voor het welzijn van de persoon. Het is in dat geval belangrijk de bewegingen of gedragingen te accepteren als omgeving zijnde, en de persoon te waarderen op basis van zijn/haar kwaliteiten en mogelijkheden.

Stereotype bewegingen/gedragingen komen overigens ook voor bij sommige mensen met autisme of een ernstige verstandelijke beperking. Ook bij deze groep is de exacte reden nog onduidelijk, kunnen de bewegingen/gedragingen schadelijk zijn voor de persoon zelf, en leiden ze vaak tot onbegrip en vervreemding van de sociale omgeving (dóór de sociale omgeving).

 

Vroege Interventie

Het is algemeen bekend dat een kind al direct vanaf de geboorte begint met het ontdekken van de wereld, zelfs in de periode dat het alleen nog maar om zich heen kan kijken. Het is dan ook vanzelfsprekend dat vroege interventie bij kinderen met een visuele beperking helpt bij het beperken van deze achterstand. Daarnaast is het belangrijk om deze kinderen te helpen bij het leren oriënteren en het voortbewegen in de ruimte. Dit is (zoals beschreven bij het onderdeel ‘Oriëntatie en Mobiliteit’) een belangrijk aspect die de ontwikkeling van een persoon met een visuele beperking bevordert en hem/haar in alle opzichten beter laat functioneren. Bewegingsvrijheid is immers een belangrijk onderdeel van de persoonlijke ontwikkeling in het algemeen. De veel voorkomende motorische achterstand die veroorzaakt wordt door de ontbrekende of gebrekkige visuele informatie kan hierdoor (vaak deels) worden ingelopen of in elk geval beperkt.

Het betrekken van de ouders bij vroege interventieprogramma’s is belangrijk. Zij kunnen op bepaalde momenten zelf steun nodig hebben bij het verwerken van of omgaan met het feit dat hun kind een visuele beperking heeft. Daarnaast stelt inclusie van de ouders hen in staat ook thuis met het kind verder te werken aan de gestelde ontwikkelingsdoelen; hierdoor heeft de vroege interventie meer effect en kan het kind maximaal profiteren.


Leave a Reply