Omgangstips

Om ongemakkelijke situaties te vermijden voor zowel mensen met een visuele beperking als voor mensen zonder een visuele beperking, kunnen de volgende omgangstips helpen bij de interactie tussen beide partijen:

  1. Spreek niet anders tegen een persoon met een visuele beperking (bijvoorbeeld harder of langzamer), behalve wanneer hij/zij een gehoorapparaat draagt of aangeeft ook een auditieve beperking te hebben. Spreek ook gewoon de persoon met de beperking aan wanneer je hem/haar iets wilt vragen, in plaats van hun eventuele begeleider.
  2. Noem bij het benaderen van een persoon met een visuele beperking (wanneer mogelijk) altijd eerst zijn of haar naam, zodat duidelijk is dat je contact met hem of haar zoekt. Dit is zeker van belang in plaatsen waar zich veel mensen bevinden.
  3. Groet iemand met een visuele beperking altijd even wanneer hij/zij binnen komt in een ruimte. Zo weet die persoon dat er iemand is om eventueel hulp aan te vragen. Geef ook aan wanneer (en welke) er huisdieren aanwezig zijn.
  4. Beëindig een gesprek altijd duidelijk, zodat een persoon met een visuele beperking niet denkt dat je er nog bent en in zijn eentje door gaat met praten.
  5. Wees niet bang om woorden te gebruiken die gerelateerd zijn aan ‘het kunnen zien’. Uitdrukkingen en uitspraken als ‘zie je wel’, ‘ik keek vanmiddag in de krant’, etc. zijn onderdeel van de algemene communicatie en zijn daardoor over het algemeen ook niet beledigend of confronterend voor personen met een visuele beperking. Ook de woorden ‘blind’ en ‘visuele beperking’ kunnen gewoon gebruikt worden; ze maken onderdeel uit van ieders leven.
  6. Laat een persoon met een visuele beperking niet plotseling alleen wanneer je als zijn of haar gids fungeert. Wanneer je even weg moet; zeg dit dan duidelijk en zorg er voor dat je de persoon op een veilige plaats achter laat waar hij of zij zich kan vasthouden aan bijvoorbeeld een stoel of muur (in ieder geval een vast en stevig object). Laat de persoon met de beperking altijd joú vasthouden in plaats van andersom; hij of zij moet altijd de vrijheid hebben om op eigen initiatief los te laten etc. Zorg er daarnaast voor dat de persoon een goede, vaste grip heeft op je arm wanneer je als gids functioneert.
  7. Blijf kalm en duidelijk wanneer je ziet dat iemand met een visuele beperking afstevent op een onveilige situatie. Zeg bijvoorbeeld op een beheerste en duidelijke manier ‘Wacht even meneer, er komt een auto hard aanrijden.’ of ‘…, er is een versperring op uw weg.’ Zo schrikt de persoon niet maar is hij/zij wel in staat adequaat te reageren door de duidelijke informatie die gegeven wordt.
  8. Vraag altijd eerst of iemand hulp nodig heeft, in plaats van (soms onnodige) hulp ineens te bieden. Dit voorkomt onprettige situaties.
  9. In communicatie zijn gebaren en uitdrukkingen vaak niet (goed) waarneembaar voor iemand met een visuele beperking; gebruik taal als enige communicatiemiddel om misverstanden te voorkomen.

Leave a Reply