“Later”

Zoals bij vrijwel elke vorm van een beperking werpt ook het hebben van een visuele beperking aanvullende vragen op bij het maken van (of voorbereiden van) de stap naar volwassenheid. Dit geldt vooral voor de mogelijkheden en de aanloop naar het zelfstandig worden en het werknemerschap. Hierbij is het in veel gevallen niet de vraag óf er mogelijkheden zijn, maar meer hóe iets kan worden bereikt.

 

Zelfstandigheid

Om een persoon met een visuele beperking zo veel mogelijk van zijn of haar capaciteiten op het gebied van zelfstandig functioneren te laten benutten, is het belangrijk dat uiterlijk in de onderbouw van het voortgezet onderwijs gestart wordt met zelfstandigheidstraining.

Het is een belangrijk punt van aandacht dat wanneer een kind/jongere met een visuele beperking zich gedurende een groot deel van de dag (bijvoorbeeld op school) tussen mensen zonder visuele beperking bevind, het kind zich niet afhankelijk op gaat stellen. Mensen in de omgeving zijn over het algemeen snel geneigd om hulp te bieden, en docenten hebben in het geval van regulier onderwijs vaak geen extra tijd over om zelfstandigheid te ontwikkelen bij het kind met de visuele beperking. Een afhankelijke opstelling is daarnaast uitnodigend voor het kind omdat hij/zij zich dan met volle aandacht kan richten op het schoolse leerproces. Uiteindelijk wordt op deze manier echter vaak op langere termijn alleen maar een achterstand ontwikkeld; het kind kan zich als persoon niet volledig ontplooien omdat het niet zelfstandig functioneert.

Het gegeven dat de samenleving blind of slechtziend zijn vaak ziet als ‘hulpeloos’ functioneren kan in het algemeen een drempel opwerpen voor de blinde/slechtziende persoon die zelfstandig wil leren functioneren. Zolang de omgeving immers niet spontaan inziet dat er (normale) eisen kunnen worden gesteld aan iemand met een visuele beperking, zijn er minder situaties waarin de zelfstandigheid op de proef wordt gesteld en waarin dus geleerd kan worden. Deze houding van de samenleving lijkt grotendeels voor te komen vanuit de vrees van een groot deel van de mensen om blind te worden; de meeste mensen zien dit als een van de ergste dingen die hen kan overkomen. Dit gevoel spiegelen zij vervolgens (bewust of onbewust) op mensen met een visuele beperking.

Belangrijk is echter te beseffen dat mensen met een visuele beperking exact dezelfde capaciteiten hebben als mensen zonder beperking. Daarbij geldt wel (en is bepalend) dat de ontwikkelingsgebieden waarbij het zien een cruciale rol speelt, een stuk moeilijker zijn voor iemand die niet goed kan zien. Wat niet wil zeggen dat diegene dit dan niet kan leren, want zolang er een aanpassingsmogelijkheid is waarmee het visuele aspect wordt gecompenseerd (zoals het tastvermogen, of eenvoudigweg het uitbreiden van kennis ter compensatie van de afwezigheid van visuele informatie) kan de persoon zich alsnog ontwikkelen. Het leerproces van bepaalde vaardigheden (inclusief de vaardigheden met betrekking tot de zelfstandigheid) kan echter wel langzamer verlopen en/of moeizamer zijn. Het denkpatroon van veel ziende mensen die bewondering hebben voor bijvoorbeeld een blinde bergbeklimmer (“Zelfs ík zou niet eens de berg kunnen beklimmen…!”) is vaak onbewust een uiting van een automatisch aan blinde of slechtziende mensen toegewezen afhankelijkheidspositie. De opmerking is bedoeld als compliment, maar de vergelijking ‘Zelfs ik’, geeft aan dat degene die deze uitspraak doet per definitie meer verwachtingen heeft van zichzelf en de eigen capaciteiten dan van iemand die blind of slechtziend is. Ditzelfde principe komt ook voor tijdens meer alledaagse bezigheden zoals het in- en uit de trein stappen (‘Zelfs ik zou niet met mijn ogen dicht een trein uit durven stappen, en ik heb nog wel kunnen zien hoe de afstap eruit ziet.’), het boodschappen doen (‘Zelfs ik kan de helft van de producten op mijn boodschappenlijstje niet vinden, dan moet het wel haast onmogelijk zijn als je niets kunt zien en de winkel nooit gezien hebt.’), etc. De oplossing voor dit fenomeen, dat op veel momenten de zelfstandigheidsontwikkeling kan belemmeren, ligt in het vergroten van het bewustzijn en (accuraat!) inlevingsvermogen bij mensen zonder visuele beperking. Hierdoor krijgen zij meer inzicht in de mogelijkheden van mensen met een visuele beperking, en verdwijnt (in elk geval een deel van) de angst die zij voelen ten opzichte van een visuele beperking die vaak aan de grondslag van de beschermende houding ligt.

 

Werknemerschap

Het overgrote deel van de volwassen mensen met een visuele beperking zijn werkloos. Het deel dat wel werk heeft is vaak overgekwalificeerd voor de functie die zij vervullen. Een deel van de oorzaak is ook hier te vinden in onvoldoende besef van mogelijkheden van mensen met een visuele beperking bij werkgevers. Een ander groot deel van de oorzaak is echter te vinden binnen de invulling van het onderwijs aan mensen met een visuele beperking. Er is namelijk vaak behoefte aan ondersteuning op het gebied van de transitie van het onderwijs naar het werknemerschap. Voor iemand met een visuele beperking biedt een nieuwe (werk)omgeving (nog meer dan voor iemand zonder een beperking die begint op zijn/haar eerste of nieuwe baan) allerlei uitdagingen die overwonnen moeten worden. Denk hierbij aan het vervoer van en naar het werk, verplaatsing binnen de werkomgeving, gebruik van machines of materialen voor de uitvoering van het werk, etc. Al deze zaken zijn nieuwe dingen die een blind of slechtziende persoon mentaal in kaart moet brengen, vertrouwd mee moet raken zonder de beschikking te hebben over het zien. Wanneer een transitieprogramma (bijvoorbeeld met een periode van begeleid werknemerschap) aansluit op deze overgang, is de kans op een succesvolle start aanzienlijk groter. Ter voorbereiding hierop kunnen stageperiodes tijdens de middelbare schoolleeftijd bijdragen aan het bewijzen van bekwaamheid en zelfstandigheid. Dit geeft een potentiële werkgever ook meer houvast bij de keuze voor iemand met een visuele beperking.

De aanpassingen die mensen met een visuele beperking nodig kunnen hebben om hun functie uit te oefenen zijn vaak relatief eenvoudig (zoals fellere of juist zwakkere lampen, een vergrotend voorzet-monitorscherm, het vrijhouden van gangpaden, vergrotende of contrast verhogende computersoftware, een machine die tekst omzet naar braille, etc), en worden over het algemeen gesubsidieerd vanuit de overheid.

 


Leave a Reply