Wat is het?

Spraak en Taal zijn allebei instrumenten voor de menselijke Communicatie. Communicatie zelf omvat het proces van het delen van informatie waarmee specifieke communicatieve functies kunnen worden vervuld. Deze communicatieve functies zijn bijvoorbeeld: het hebben of het afwijzen van sociale interactie, het vragen om meer informatie/een voorwerp, en het delen van ideeën en gedachten.

Om te kunnen communiceren moet iemand als zender in staat zijn om de eigen boodschap over te brengen op een voor de ontvanger te begrijpen manier (encoderen), maar ook om de boodschap van de ander (op dát moment de zender) waar te nemen en te begrijpen (decoderen). De communicatie kan hierbij verschillende vormen hebben; bijvoorbeeld schriftelijk, verbaal, en non-verbaal. Voor elk van deze vormen heeft men andere vaardigheden nodig om te kunnen communiceren.

Bij een communicatie stoornis is er sprake van een verstoring in de mogelijkheid om ideeën, informatie, gevoelens en behoeften in de vorm van spraak of taal te zenden en ontvangen door problemen met het horen, luisteren, schrijven en lezen. Kortom: een beperking in het kunnen gebruiken van spraak of taal ten behoeve van communicatie.

Taal is het gebruik van een voorgeschreven systeem van lettertekens voor het overbrengen of ontvangen van gedachten waarbij de regels bepalend zijn voor de betekenis van de communicatie-inhoud.

Het encoderen (zenden/overbrengen) van berichten wordt ook wel expressieve taalvaardigheid genoemd. Het decoderen (ontvangen/begrijpen) van berichten wordt ook wel receptieve taalvaardigheid genoemd.

Spraak is het geheel van het (door middel van motorische aansturing) vormen van klanken die door hun koppeling aan lettertekens een communicatieve betekenis krijgen.

De component Spraak kan voor mensen met bijvoorbeeld een auditieve beperking worden vervangen door handgebaren (het Nederlandse Gebaren Alfabet, het Nederlands met Gebaren, of de Nederlandse Gebarentaal). Het gebaar wordt (in plaats van een spraakklank) gekoppeld aan – combinaties van – lettertekens en hun bijbehorende betekenis.

Voor mensen met een beperking van de spraakmotoriek bestaan er alternatieve vormen van communicatie waarbij de spraakklanken vervangen worden door bijvoorbeeld gebaren (eventueel Nederlandse Gebarentaal), afbeeldingen en spraakcomputers. Wanneer iemand vanwege een beperking in de motoriek gebruik maakt van dergelijke vormen van alternatieve communicatie is het niet automatisch het geval dat deze persoon ook een taalstoornis heeft; het is wel mogelijk maar geldt dan als een aanvullende – aparte – beperking.

Bij een Spraakstoornis is er sprake van een beperking in het produceren en gebruiken van mondelinge spraak, waaronder problemen met het vormen van klanken, het produceren van stemgeluid, en het beheersen van de snelheid en het ritme van de eigen spraak.

Bij een Taalstoornis is er sprake van een beperking in het begrijpen en formuleren van taal, door problemen met het toepassen van de bestaande taalregels met betrekking tot de inhoud (semantiek), vorm (fonologie, morfologie en syntaxis) en gebruik (pragmatiek). Deze aspecten vormen (afhankelijk van de situatie) in allerlei combinaties of alleenstaand het geheel Taal.

Semantiek omvat de regels omtrent de betekenis van lettertekens, woorden en zinnen.

Fonologie omvat de regels omtrent de vorm/klank van spraakklanken. Iemand die de fonologie van een taal beheerst is in staat om spraakklanken van elkaar te onderscheiden (de zogeheten auditieve discriminatie), ze op de juiste manier te vormen (een uitspraakprobleem is bijvoorbeeld het zeggen van ‘tak’ in plaats van ‘lak’) en ze in de juiste volgorde in een woord te plaatsen (tak-kas/drop-dorp).

Bij een uitspraakprobleem is het mogelijk dat het kind hierdoor problemen krijgt met de betekenis van woorden. Het kind vervangt bij het gegeven voorbeeld de ‘t’ door een ‘l’ en kan daardoor het oorspronkelijke woord ‘lak’ gaan associëren met de betekenis behorende bij ‘tak’. Vraag je het kind dan bijvoorbeeld de ‘lak’ aan te geven, komt het kind je een ‘tak’ geven.

Een ander onderdeel van de fonologie is de selectieve aandacht. Dit is het kunnen richten van de aandacht op een bepaald geluidssignaal. Een eindeloos aan staande televisie stoort bijvoorbeeld bij een baby/jong kind een goede taalontwikkeling. Dit is een langdurig aanwezige ruis, waardoor het kind niet goed in staat is klanken zuiver te onderscheiden.

Morfologie omvat de regels omtrent de woordstructuur en de woordvorming. Iemand die de morfologie goed beheerst is in staat om werkwoorden juist te vervoegen (tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooide tijd), zelfstandige naamwoorden juist verbuigen (meervouden en verkleinwoorden), bijvoeglijke naamwoorden juist verbuigen (groot – grote) en de trappen van vergelijking juist te verbuigen (goed – beter – best).

Syntaxis omvat de regels omtrent de zinsstructuur en zinsopbouw. Iemand die het syntactische aspect van de taal goed beheerst is in staat een correcte volgorde van de woorden te hanteren bij het vormen van een zin, de zin is volledig en er worden geen woorden weg gelaten. Daarnaast weet hij/zij hoe verschillende zinstypen worden gevormd: de mededelende zin, wensende zin, vraagzin, ontkennende zin.

Pragmatiek omvat het geheel van sociale regels en afspraken die van toepassing zijn op het gebruik van taal. Voorbeelden van regels zijn:

Voorbeelden van regels zijn:

- Praten doe je om de beurt, niet door elkaar. Kan iemand op zijn beurt wachten?

- Wat je zegt moet aansluiten op wat je gesprekspartner zei. Bijvoorbeeld: ‘Moet je geen jas aan?’ ‘Nee ik heb het warm genoeg.’

Een voorbeeld van verkeerde aansluiting is: ‘Heb jij je veters vastgemaakt?’ ‘Ik heb een ijsje gegeten!’

- Als het antwoord niet aansluit bij wat ervoor gezegd werd, kondigt de persoon dan de wisseling van het onderwerp aan? Bijvoorbeeld door te zeggen: ‘Even iets anders;…’ of ‘Gisteren zag ik trouwens…’.

- Kiest iemand de goede manier om iets te zeggen in een bepaalde situatie? Bijvoorbeeld als je moeder zegt; ‘Ik ga boodschappen doen’. Dan zegt hij/zij: ‘Ik wil óók mee!’. Wanneer een sociaal verder verwijderd persoon dit had gezegd, dan had hij/zij ‘Mogen wij ook mee?’ moeten zeggen.

- Houd de persoon rekening met het verschil in rol? Hieronder valt het informeel of juist formeel reageren in die specifieke situatie. Bijvoorbeeld: je zegt ‘hallo’ tegen vriend, maar ‘dag meneer’ tegen een (relatief) onbekende.

- Kan de persoon rekening houden met het perspectief van een ander? (Snapt hij/zij dat je als luisteraar bepaalde informatie niet hebt, en houdt het daarmee rekening?) Bijvoorbeeld: hij of zij zegt ‘doe maar in de tas’ en gaat er hierbij vanuit dat jij weet welke tas hij/zij bedoelt.

- Kan de persoon zich voorstellen dat een buurvrouw die op bezoek komt, niet weet wie Henk (bijvoorbeeld een klasgenoot/collega) is en legt hij of zij dan uit wie dat is, als hij/zij wat over Henk vertelt?

 

Een belangrijk aandachtpunt is dat een taalstoornis alléén aan de orde is wanneer iemand de problemen ervaart in élke taal die hij/zij gebruikt. Het kan niet zo zijn dat een kind die één taal goed beheerst (bijvoorbeeld een dialect of een eerste/tweede taal) maar problemen ervaart bij het gebruik van een andere taal (zoals het non-dialect of andere taal), wordt gediagnosticeerd met een taalstoornis. Het feit dat het kind/de persoon in staat is één taal zonder problemen te beheersen geeft aan dat er géén sprake is van een taalstoornis. Waarschijnlijk is het taalprobleem in dit geval op te lossen met instructie en oefening; het is immers bewezen dat taalgerelateerde regels kunnen worden toegepast.

 

Prevalentie

Er is geen duidelijk beeld van hoe vaak en bij welk deel van de bevolking spraak- en taalstoornissen het meeste voorkomen. Dit komt vanwege de zeer diverse aard van de problematiek en het feit dat een spraak- en/of taalstoornis als bijkomende beperking moeilijk is te diagnosticeren bij mensen/kinderen met bijvoorbeeld een primaire motorische en/of verstandelijke beperking, leerstoornis of autistische stoornis. Logopedie is in ieder geval één van de meest voorgeschreven therapieën in de kinderleeftijd.

 

De ‘Normale’ Spraak- en Taalontwikkeling

Voorwaarden voor de Spraak- en Taalontwikkeling

Er kunnen drie specifieke voorwaarden voor de spraak- en taalontwikkeling worden onderscheiden. Deze voorwaarden maken de opname van prikkels (informatie) uit de omgeving mogelijk, waardoor het begrijpen en gebruiken van taal wordt ondersteund. De voorwaarden zijn: oogcontact, beurtgedrag (niet door/langs elkaar communiceren, maar in reactie op elkaar) en imitatie (bijvoorbeeld van spraak, mondmotoriek, stemmelodie en luidheid).

 

Oogcontact

Wanneer iemand niet beschikt over de voorwaarde oogcontact (hij of zij is bijvoorbeeld slechtziend of blind) kan het leerproces worden belemmerd. Diegene is zich er verminderd van bewust wanneer iemand met hem/haar communiceert.

Bij communicatie kijken de communicatiepartners elkaar in beginsel aan; het is voor beiden duidelijk dat zij samen bezig zijn met communiceren. Zij die dit oogcontact verminderd of helemaal niet hebben met mensen uit hun omgeving missen veel informatie de nodig is voor de spraak-/taalontwikkeling. Ze nemen verminderd deel aan de communicatie, al dan niet aan hen gericht.

Daarnaast is oogcontact belangrijk voor het bewust worden van de mondmotoriek (de bewegingen die de mond van de spreker maakt wanneer hij/zij spraakklanken voortbrengt), en de bijbehorende expressie. Iemand die deze visuele informatie niet opneemt zal moeite hebben met het vormen van de spraakklanken (als je de spraakklank ‘p’ wilt vormen moet je de lippen op elkaar drukken en door de drukkende lucht erachter open laten gaan) en het begrijpen van de expressieve betekenis van de boodschap.

 

Beurtgedrag

Wanneer een persoon geen beurtgedrag vertoont is er geen sprake van op elkaar afgestemde communicatie. Hij of zij communiceert bijvoorbeeld door de boodschap van een ander heen; de ouder stelt een vraag, en ondertussen begint hij/zij iets te vertellen zonder acht te slaan op de vraag die eigenlijk gesteld werd. Of hij/zij wacht wel de vraag af, maar geeft vervolgens in zijn of haar boodschap geen antwoord op de gestelde vraag (vertelt iets anders/vraagt zelf iets).

Bij deze persoon kan het besef ontbreken dat de ander met hem/haar een dialoog aan gaat, en dat van hem/haar verwacht wordt dat de te geven reactie een directe relatie hoort te hebben met de ontvangen boodschap (en dat daarvoor eerst de gehele boodschap ontvangen moet zijn voordat een reactie kan volgen).

 

Imitatie

Imitatie houdt in dat een jong kind de ontvangen prikkels (informatie; visueel en verbaal) na doet, en zo de motoriek ontwikkelt en de kennis over de inhoud van de communicatie tot zich neemt. Het kind is zich bewust van de bewegingen die de spreker met de mond maakt, en imiteert deze.

Wanneer de omgeving van het kind gebruikmaakt van een bepaalde stemmelodie (bijvoorbeeld wanneer de omgeving met een bepaald accent spreekt) neemt een kind deze direct over. Het kind komt immers alleen met deze stemmelodie in aanraking (bijv. oplopende toonhoogte in Limburg, het inslikken van de laatste lettergreep in het oosten van Nederland, of een ‘zachte g’ in Brabant).

Daarnaast imiteert het kind de luidheid van de stem van de directe omgeving (bijvoorbeeld de ouder/verzorger). Wanneer de omgeving van het kind erg zacht spreekt, neemt het kind dit over en zal ook zacht spreken/geluiden maken. Anderzijds, wanneer de omgeving van het kind juist hard spreekt (onder andere denkbaar in een omgeving met één of meer slechthorende personen) zal het kind dit imiteren.

 

Overige voorwaarden

Naast de drie genoemde specifieke voorwaarden speelt in de ontwikkeling ook mee of in de omgeving van het kind wel voldoende communicatie voorkomt. De situatie van een kind waarvan bijvoorbeeld één of beide ouders slechthorend/doof zijn verschilt qua communicatieintensiteit en –aanwezigheid van die van een kind waarbij dit niet het geval is. Ook de algemene verstandelijke ontwikkeling van het kind speelt een rol. Deze bepaalt in welke mate het kind kennis heeft over mensen en dingen, en verbanden die hiertussen bestaan. Daarvan hangt af of het kind begrijpt wat er in zijn/haar omgeving hoort, en wat het zelf kan zeggen.

Een kind ontdekt in de communicatie die het om zich heen hoort zelf de taalregels. Ook hierbij speelt de intelligentie van het kind een belangrijke rol.

Volwassenen passen hun taalgebruik vaak aan aan het niveau van het jonge kind, bijvoorbeeld door gebruik te maken van een sterk vereenvoudigde woordkeuze en zinsopbouw, het gebruik van uitdrukkelijke intonatie, het gebruiken van een systematische zinsopbouw en door het praten over hier-en-nu.

Ook sociale gebruik van taal speelt een belangrijke rol: hoe wordt taal in een communicatieve situatie gebruikt? Het kind leert dus naast de grammaticale regels (zinsopbouw, woordvervoeging) ook communicatieve regels (wat je tegen een bepaalde persoon in een bepaalde situatie kunt zeggen).

Tot slot zijn bij het leren communiceren ook niet-talige factoren belangrijk. Voorbeelden hiervan zijn:

Luisteren: Wanneer het kind niet luistert, is het niet of verminderd in staat adequaat te reageren op communicatie om zich heen. Daarnaast pikt het misschien ook geen prikkels op die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van spraak en taal (bijvoorbeeld woordkennis, klankkennis, grammaticale en communicatieve regels).

Initiatief nemen: Als het kind geen initiatief neemt zal het weinig deel nemen aan de communicatie om zich heen. Het zal weinig eigen inbreng hebben en dus ook weinig reactie ontvangen op zelf geuite communicatie (verbaal en non-verbaal).

Houding en mimiek: Wanneer het kind niet beschikt over (adequate) houding en mimiek, stemt deze niet overeen met de boodschap die het kind op de omgeving over wil brengen. Bijvoorbeeld: het kind krijgt als beloning een speelgoedautootje, en reageert verbaal positief maar de mimiek (expressie in de stem en de lichaamshouding) is negatief wat resulteert in onjuiste communicatie.

 

Twee ontwikkelingsperioden

De ‘normale’ taalontwikkeling kan worden ingedeeld in twee perioden: de pre-verbale periode en de verbale periode. De verbale periode wordt ook wel de ‘linguale’ of ‘talige’ periode genoemd. Deze verbale periode begint wanneer het kind zijn/haar eerste woordje zegt.

Hier volgt een overzicht van het gemiddelde verloop aan de hand van de leeftijd:

 

Pre-verbale periode 
0 – 6 weken  Huilen
6 weken – 4 maanden  Vocaliseren (= het kind produceert klinkerachtige geluiden): ‘ah’, ‘uh’
4 – 8 maanden Brabbelen (= er ontstaan medeklinkerachtige geluiden). In alle talen maken baby’s dezelfde brabbelgeluiden. Bijvoorbeeld: ‘gggg’, ‘tatata’, ‘bffff’.N.B.: Er worden in deze fase ook spraakklanken geproduceerd die in de moedertaal niet voorkomen. Ook dove baby’s gaan brabbelen, maar stoppen daar weer mee als ze acht à negen maanden zijn. Het kind bootst ook geluiden na die zijn opvoeder maakt, terwijl het kind deze weer nadoet, enzovoort, een kettingreactie: ‘papapa’, ‘dododo’.

 

8 – 12 maanden Sociaal brabbelen: het klankenpatroon van de omgeving wordt overgenomen, de zinsmelodie wordt geïmiteerd. De spraakklanken die niet in de moedertaal voorkomen, verdwijnen. Doordat het kind gaat luisteren, brabbelen en imiteren, ontstaat de mogelijkheid tot woordbegrip en later totwoordgebruik; het begrijpen van een woord gaat vooraf aan het zelf zeggen ervan!In deze fase komt echolalie voor: het kind zegt een woord na dat het om zich heen hoort. Het woord heeft dan nog geen betekenis voor hem.

 

 

Verbale periode 
12 – 15 maanden De fase van de eenwoordzinnen. (kind zegt ‘beer’ en bedoelt hiermee: ‘ik wil de beer hebben’)Kind vraagt overal de naam van door ergens naar te wijzen, of door een bepaalde kreet te uiten.

Zinstypen: kind gebruikt nog geen ontkenningen, maar schud wel ‘nee’ met het hoofd. Een vraag blijkt uit een vragende intonatie.

 

15 maanden – 2 jaar De fase van de tweewoordzinnen. (kind zegt ‘kindje fietsen’ en bedoelt ‘het kindje fietst’)Een kind van 2 jaar heeft een woordenschat van 270 woorden.

Een vraagzin wordt gemaakt door een vragende intonatie. (bedje toe?)

Een ontkennende zin wordt gemaakt door ‘niet’ ervoor of erachter te zetten. (‘pappa niet’ = pappa is er niet)

Veel medeklinkers worden nog vervangen en medeklinkerverbindingen worden gereduceerd tot één medeklinker. (‘stoep’ wordt ‘toep’.)

 

2 – 3 jaar De fase van de meerwoordzinnen.De taal bestaat nog voornamelijk uit zelfstandige naamwoorden en werkwoorden; de uitingen geven vooral de inhoud weer, nog niet de vorm.

De woordenschat neemt explosief toe. Vooral medeklinkers worden nu al beter uitgesproken.

De ik- en jij-vorm worden gebruikt. Het kind gebruikt nog regelmatig de jij-vorm als het tegen zichzelf praat: ‘heb je beertje nou?’ (waar heb ik het beertje nou gelaten?)

Het meervoud wordt maar op één manier gevormd, namelijk door er een –s achter te zetten; ook de verleden tijd wordt volgens één regel gevormd door –de of –te achter de stam te zetten.

Het kind begint voorzetsels te gebruiken, meestal ‘op’ en ‘in’. Het juiste gebruik van voorzetsels blijft vaak moeilijk tot een jaar of vijf.

Als het eerste voegwoord wordt tussen de twee en drie jaar al ‘en’ gebruikt.

Een kind praat in deze fase veel na en herhaalt ook zichzelf.

 

3 – 4 jaar Het kind begrijpt veel en vertelt veel.Het kan losse klanken goed zeggen, behalve de /s/, /l/ en /r/.

Het maakt nog wel veel uitspraakfouten met medeklinkerverbindingen.

Het begint taalregels toe te passen (woordvolgorde, verbuigingen en vervoegingen): meervoudsvormen worden meestal goed gevormd, maar er komen nog vergissingen in voor.

Tot vier à vijf jaar is het normaal dat onregelmatige werkwoorden in de verleden tijd onjuist worden vervoegd, zoals ‘ik koopte’. Fouten bij het vormen van de voltooide tijd zijn normaal tot vijf à zes jaar.

De zinsopbouw levert nog problemen op voor een drie- à vierjarige.

Er worden nu ook lidwoorden gebruikt en meer voorzetsels, hoewel nog niet altijd correct.

Als ontwikkelingsverschijnsel komen vaak herhalingen van lettergrepen of woorden voor, omdat het kind sneller denkt dan het zijn gedachten kan verwoorden. Dit worden normale onvloeiendheden genoemd; het is GEEN stotteren!

 

4 – 6 jaar Een kind van vier à vijf jaar kan de meeste medeklinkerverbindingen correct vormen, maar de s-, r- en l-medeklinkerverbindingen zijn over het algemeen nog te moeilijk. Problemen met het toepassen van een enkele s- of r- verbinding in woorden zijn voor zesjarigen niet afwijkend.Rond het vijfde jaar kent het kind de meeste taalregels en op vijf- à zesjarige leeftijd worden taalregels over het algemeen consequent toegepast. De zinnen worden ook langer. De voegwoorden ‘maar’, ‘als … dan’, ‘of’, ‘wat … als’, ‘want’ en ‘omdat’ worden gebruikt.

Voorzetsels worden nu meestal goed toegepast.

Het kind begint abstracte begrippen te ontwikkelen.

 

circa 8 jaar De ontwikkeling van de articulatie is voltooid.Alle grammaticale constructies zijn in beginsel aanwezig, maar nog niet foutloos.

Vooral passieve zinnen, ontkennende passieve zinsconstructies en bijzinnen die beginnen met een voegwoord leveren mogelijk nog problemen op.

 

 

Taalstoornissen

Het is mogelijk dat iemand met een taalstoornis ook (een deel van) de hierboven beschreven mijlpalen bereikt, maar dat dit gebeurt op een (duidelijk) later tijdstip. Ook is het mogelijk dat een kind zijn/haar achterstand inhaalt, maar later weer een nieuwe achterstand ontwikkelt.

Er bestaan een aantal verschillende theorieën/zienswijzen over de achtergrond van taalontwikkeling, en daaruit volgend ook ten aanzien van de achtergrond van taalstoornissen:

- Taalontwikkeling is afhankelijk van de ontwikkeling en het functioneren van de hersenen. Taalstoornissen zijn in een aantal gevallen het gevolg van hersendysfunctie. In een deel van deze gevallen is het mogelijk om het kind compenserende kennis en vaardigheden bij te brengen.

- Taalontwikkeling wordt beïnvloed door de gevolgen van een kind zijn of haar taalgedrag. Taalstoornissen kunnen vanuit deze gedachte het gevolg zijn van een verkeerd leerproces, en een stoornis kan gecorrigeerd worden door de gevolgen van het taalgebruik te reguleren (bijvoorbeeld door het belonen van goed taalgebruik en het verbinden van consequenties aan verkeerd taalgebruik).

- Taal kan worden gezien als input (waargenomen taal) en output (geuite taal) in relatie tot bewerking (het proces bij het verwerken en produceren van taal). Een fout in de bewerking kan vervolgens de oorzaak zijn van een taalstoornis, waardoor in een deel van de gevallen de taalstoornis kan worden verholpen door het aanleren van verbeterde bewerkingen (een soort ‘update’ van het systeem).

- Taal wordt ontwikkeld vanuit een biologisch proces dat verantwoordelijk is voor het verwerven en toepassen van regels omtrent de taalvorm, inhoud en gebruiksdoelen. Een taalstoornis is daarom vanuit deze benadering het gevolg van een fout bij het verwerven (een regel is bijvoorbeeld niet of niet volledig eigen gemaakt) of toepassen van deze regels. Een dergelijke taalstoornis kan worden gecompenseerd door de persoon te helpen bij het (correct) verwerven en toepassen van de regels.

- Taal is één van de vele menselijke cognitieve vaardigheden. Een taalstoornis is vanuit deze zienswijze een bewijs van basale problemen in de denkvaardigheid en het leren. In een aantal gevallen is het mogelijk om een taalstoornis te verhelpen/verminderen door de persoon specifieke denk- en leervaardigheden aan te leren.

- Taal komt voort uit de menselijke behoefte om deel te nemen aan sociale communicatie. Een taalstoornis staat dan ook actieve interactie met de persoonlijke omgeving in de weg. De sociale omgeving kan in een deel van de gevallen worden ingezet om het kind betere en effectievere communicatievaardigheden bij te brengen.

Nogmaals, deze opsomming geeft een weergave van de verschillende theorieën/zienswijzen ten aanzien van taalontwikkeling en taalstoornissen. Geen van deze theorieën is in staat het gehele concept van de taalontwikkeling en de achtergrond van taalstoornissen te verklaren. Wel bevatten al deze punten degelijke, wetenschappelijk onderbouwde aspecten. Het is daarom belangrijk de toepasbaarheid van elke theorie per individueel geval te overwegen, zowel bij de diagnosticering als bij de behandeling van een (eventuele) taalstoornis. De laatst beschreven theorie is degene die op het moment het breedst wordt gedragen en de grootste invloed heeft op de werkwijze van bijvoorbeeld logopedisten. De omgeving van een kind is immers een belangrijke bron van de leerprocessen in de individu; het contact is intensief, en kinderen leren grotendeels door imitatie en observatie van hun directe omgeving.

 

Classificatie van Taalstoornissen

Taalstoornissen kunnen worden ingedeeld in twee dimensies: het type en de oorzaak van de stoornis (de zogeheten ‘etiologie’).

Type

De verschillende typen worden onderverdeeld op basis van de vijf eerder genoemde taalaspecten: fonologie, morfologie, syntaxis, semantiek en pragmatiek. In de meeste gevallen is er echter sprake van een combinatie, waarbij één van de aspecten de meeste problemen veroorzaakt.

Oorzaak

Bij het indelen van een taalstoornis op basis van de oorzaak wordt onderscheid gemaakt tussen de primaire of secundaire aard. Wanneer iemand een primaire taalstoornis heeft, is de oorzaak van de problematiek niet geheel duidelijk. Er kunnen drie vormen worden onderscheiden:

Bij de specifieke taalontwikkelingsstoornis (Specific Language Impairment) is er een probleem met taal in al zijn aspecten, waarbij er geen oorzaak is aan te wijzen. Het is een onverwachte en onverklaarde verstoring van het verwerven van taal. Deze vorm leidt tot ernstige beperkingen in de talige communicatie en het algehele (schoolse) leerproces en is niet te verbinden met bijvoorbeeld een verstandelijke beperking, een leerstoornis, gehoorproblemen etc.

De Vroeg-Expressieve taalachterstand (Early Expressive Language Delay) verwijst naar een duidelijke beperking in de expressieve taalontwikkeling die op jonge leeftijd ontstaat. Een kind bereikt bijvoorbeeld de verschillende mijlpalen pas op een duidelijk latere leeftijd en houdt gedurende de gehele taalontwikkeling deze achterstand aan. Mijlpalen worden wel behaald, maar met een duidelijke vertraging en de helft van de kinderen met een vroeg-expressieve taalachterstand behoud gedurende de gehele schoolcarrière problemen met de taalontwikkeling.

De Leesbeperking door een taalstoornis (Language-Based Reading Impairment) beschrijft een leesprobleem welke veroorzaakt wordt door een probleem in de taalontwikkeling. Deze vorm wordt dan ook pas merkbaar op het moment dat een kind begint met het leren lezen. Hij of zij blijkt op dat moment grote moeite te hebben met het leren lezen. Het kind heeft door de achterliggende taalstoornis een onjuiste of te beperkte voedingsbodem voor het inpassen van de goede leesvaardigheden. Het kind kan bijvoorbeeld putten uit een woordenschat die is opgebouwd op basis van verkeerde fonologische informatie; een kind denkt dat een ‘bad’ en ‘pad’ heet, en begrijpt daardoor de zin in het boek niet omdat hij/zij de verkeerde betekenis geeft aan de zin ‘Ik zit in bad.’ In dit sterk vereenvoudigde en eenzijdige voorbeeld is slechts sprake van één denkfout, maar er spelen in het geval van een leesbeperking door een taalstoornis natuurlijk véél meer factoren gelijktijdig een rol wat de leesontwikkeling verstoort.

 

Bij een secundaire taalstoornis is er wel duidelijkheid over de oorzaak van de problematiek. De taalstoornis wordt in deze gevallen veroorzaakt door een achterliggende beperking (bijvoorbeeld een verstandelijke, motorische of auditieve beperking, maar ook een autistisch spectrum stoornis behoort tot de mogelijkheden).

In veel gevallen blijft het echter lastig om een taalstoornis toe te wijzen aan één of meer types of oorzaken. Het is daarom ook bij taalstoornissen belangrijk om aandacht te blijven houden voor de individuele behoeften en mogelijkheden. Alleen dan kan effectief gediagnosticeerd en behandeld worden.


Leave a Reply