Spraakstoornissen

Binnen het terrein van spraakstoornissen zijn er veel verschillende vormen te onderscheiden op basis van type, ernst, en combinaties van vormen. Over het algemeen wordt begeleiding door een logopedist sterk aangeraden, waarbij de omgeving van het kind soms wordt gevraagd activiteiten met het kind uit te voeren (of het kind te monitoren/beloningen te geven) in de lijn van het door de logopedist uitgezette behandelprogramma. Zo wordt het kind op een breder terrein begeleid en is het resultaat van de behandeling beter; een kind is immers het grootste deel van de tijd ergens anders en maar een of enkele uurtjes per week bij de logopedist.

De vijf meest voorkomende categorieën van spraakstoornissen worden hier besproken.

 

Fonologische stoornissen

Van een fonologische stoornis is alleen sprake wanneer er zich duidelijke problemen voordoen vóór het negende levensjaar. Deze problemen zijn anders dan de – bij de meeste kinderen voorkomende – spraakproblemen (zoals het nog niet kunnen uitspreken van een woord) die gerelateerd zijn aan de normale spraak-taalontwikkeling. Het kan zijn dat de fonologische stoornis voorkomt naast één of meer andere stoornissen/problemen.

Iemand met een fonologische spraakstoornis praat door een onduidelijke oorzaak anders dan zijn/haar leeftijdsgenoten, en lijkt niet te begrijpen hoe spraakklanken correct kunnen worden gevormd, onderscheiden, en gecombineerd tot woorden. Hij of zij heeft veel problemen met het cognitieve onderscheid (en begrip daarvan) van de verschillende klanken waaruit spraak wordt opgebouwd. Hierdoor is het erg moeilijk om de juiste klanken zelf te vormen; je weet immers niet (goed) hoe ze behoren te klinken.

De fonologische stoornis komt vaker voor bij jongens dan bij meisjes, en verschilt wezenlijk van de meer voorkomende articulatiestoornissen. Iemand met een articulatiestoornis heeft uitsluitend moeite met het vormen van spraakklanken, maar begrijpt wel dat hij/zij het fout doet (en weet ook hoe het wél moet).

Een fonologische stoornis heeft niet alleen gevolgen voor de verbale taalontwikkeling, maar ook het leren lezen en schrijven wordt bemoeilijkt. Het leren van lezen en schrijven (oftewel het leren van lettertekens) vind namelijk plaats op basis van een koppeling tussen spraakklank (de zogeheten ‘fonemen’) en letterteken (‘grafemen’ genoemd). Dit is erg duidelijk wanneer een kind in groep drie leert lezen: bij het aanwijzen van letters verklankt het kind de letter in een spraakklank, en bij het lezen van nieuwe woordjes verklankt het kind eerst alle letters achter elkaar (‘b’-‘o’-‘k’) om ze vervolgens in één keer achter elkaar uit te spreken (‘bok’). De vaardigheid om lettertekens op de juiste manier aan spraakklanken te koppelen wordt fonologisch begrip genoemd. Wanneer iemand een fonologische stoornis heeft kan het zijn dat hij/zij niet in staat om de koppeling tussen fonemen en grafemen te maken. De structuur van de taal kan dan ook niet duidelijk worden omdat de basiskennis (het alfabet) zal ontbreken. Diegene is dan vervolgens niet in staat om geschreven woorden te decoderen in een fonologische vorm; hij of zij hééft immers geen (goed) fonologisch begrip om de lettertekens en dus het woord mee te ‘vertalen’. Dit is echter niet bij alle mensen met een fonologische stoornis het geval. Deze mensen hebben een variant op de basale fonologische stoornis, namelijk een fonologische verwerkingsstoornis. De oorzaak hiervan ligt in problemen met het verbale werkgeheugen. Zij kunnen zich niet of moeilijkherinneren wat tegen hen gezegd is, of wat zij zelf wilden zeggen. Ook problemen met het leren van woorden en het terughalen van eerder geleerde woorden kunnen problematisch zijn bij deze vorm.

 

Articulatiestoornissen

Bij articulatiestoornissen ligt het probleem in fouten bij het vormen van spraakklanken. Het fonologisch onderscheid tussen de verschillende (en daarmee ook de foute) spraakklanken kan wél worden gemaakt. Bij de vorming van spraakklanken worden bijvoorbeeld: klanken verkeerd gevormd (ze klinken bijvoorbeeld als een andere klank), bijgeluiden gemaakt, spraakklanken herhaald, of klanken overgeslagen. Deze problemen zijn structureel en kunnen ernstige gevolgen hebben voor de sociale contacten. Mensen met duidelijke articulatiestoornissen worden nog vaak gepest.

Fouten in de articulatie duiden niet per definitie op een articulatiestoornis. Bij het stellen van de diagnose wordt bijvoorbeeld rekening gehouden met de volhardendheid van de fouten (worden de fouten structureel gemaakt/is het kind in staat de fout uit zichzelf herstellen), de gevolgen van de (ernst van) de fouten op de effectiviteit van de communicatie en de sociale acceptatie, het type gemaakte fout, en de leeftijd en persoonlijke eigenschappen van het kind. Het is namelijk normaal dat kinderen die nog in de fase zitten waarin zij een taal aanleren, fouten maken. Dit is (in het geval van geen andere bijkomende stoornissen of beperkingen) normaal tot op een leeftijd van ongeveer negen jaar. Ook de invloed van een eventueel dialect in de omgeving waarin het kind opgroeit (of opgegroeid is), is een belangrijk punt van aandacht bij het bepalen of er wel of niet sprake is van een articulatiestoornis. Een kind kan immers door imitatie van zijn/haar omgeving de spraakklanken hebben geleerd zoals die worden uitgesproken in het dialect. Hier is dan in de meeste gevallen géén sprake van een articulatiestoornis, maar van een articulatieverschil.

Articulatieproblemen komen vaker voor bij mensen die daarnaast te maken hebben met andere stoornissen of beperkingen (bijvoorbeeld een verstandelijke beperking of neurologische beperking zoals Cerebrale Parese). Een beschadiging/afwijking van de hersenen of schade aan de zenuwen die betrekking hebben op de spraakmotoriek hebben immers direct gevolgen voor de mate waarin het kind/de persoon in staat is goed te articuleren. Daarnaast komen bij deze achtergelegen beperkingen ook vaak afwijkingen voor van de mondstructuren (bijvoorbeeld een te grote tong, een te grote of te kleine onderkaak, een open of anders gevormd gehemelte, een andere stand van de tanden, etc.) of speelt een – soms minimale – auditieve beperking een rol.

Over het algemeen wordt een kind (uiteraard afhankelijk van de eerder genoemde factoren als persoonlijke kenmerken, ernst, type, en aard van de fouten) pas in groep vier of groep vijf verwezen naar een logopedist, of eerder (bijvoorbeeld op verzoek van de ouders) wanneer de spraak van het kind erg moeilijk te verstaan is. Op oudere leeftijd (bijvoorbeeld jongeren, maar ook volwassenen) zoekt men vaak zelf de hulp van een logopedist op wanneer men merkt dat de eigen spraak leidt tot sociale problemen.

In een deel van de gevallen van kinderen met een articulatiestoornis, is er sprake van een combinatie met andere spraak- of taalstoornissen. Het is belangrijk om hier rekening mee te houden in de diagnosticering en behandeling, omdat bij een gedeeltelijke aanpak van een spraak- en taalprobleem over het algemeen weinig vooruitgang te boeken is.

 

Stemstoornissen

Bij een stemstoornis is er sprake van een probleem met de klank, kwaliteit en/of het volume van de stem. De stem klinkt hees of schor, is te hoog of te laag in toonhoogte, slaat over, is te hard of te zacht, en het kan lijken alsof er een ‘waas’ over de stem ligt doordat er ‘wilde lucht’ te horen is.

Binnen de oorzaken van stemstoornissen kunnen drie hoofdcategorieën worden onderscheiden. Er zijn functionele stoornissen, zoals een beschadiging van het strottenhoofd (bijvoorbeeld als gevolg van een ongeval). Er zijn organische stoornissen, zoals vergroeiingen in het strottenhoofd (o.a. poliepen, knobbeltjes en tumoren). En tot slot zijn er de neurologische stoornissen, waarvan sprake is wanneer de betrokken zenuwbanen niet goed werken.

Problemen met de klank (toonhoogte) en het volume van de stem zijn vaak gerelateerd aan stress; stress leidt regelmatig tot verkeerd gebruik van het strottenhoofd waardoor de stem wordt beïnvloed. Ook andere gedragingen waardoor iemand de eigen stem misbruikt of verkeerd gebruikt (denk hierbij aan schreeuwen, gillen of het langdurig inzetten van luid stemgeluid) kunnen leiden tot een – vaak tijdelijke – stemstoornis. Wanneer het verkeerd gebruiken of het misbruiken van de stem echter lang aanhoud, kunnen zich meer ernstige gevolgen vormen zoals knobbeltjes op de stembanden en het tijdelijk maar geheel verliezen van de stem. Eventuele littekens die hierdoor op de stembanden kunnen achterblijven zijn mogelijk van blijvende invloed op de kwaliteit van de stem.

Het inhaleren van irriterende stoffen leidt ook tot aantasting van de stembanden; hierbij is roken vooral een grote veroorzaker.

Stemstoornissen die gekenmerkt worden door problemen met de resonantie (de kwaliteit van de stem) kunnen het gevolg zijn van een beschadiging van de aansturende hersendelen of de betrokken zenuwen, of van fysieke afwijkingen zoals een gespleten gehemelte (eventueel in combinatie met een gespleten bovenlip).

Mensen met een (aangeboren of vroeg ontstane) auditieve beperking hebben vaak een opvallend stemgeluid van zichzelf; zij krijgen immers zeer beperkt tot geen auditieve feedback over hoe hun stem klinkt, waardoor hun stem niet – zoals bij andere kinderen – wordt gevormd door imitatie van de in hun omgeving gehoorde stemgeluiden (zie het onderdeel ‘Imitatie’ onder ‘De ‘Normale’ Spraak- en Taalontwikkeling’).

Het is belangrijk om kenmerken van een (eventueel aankomende) te herkennen, vooral bij kinderen, zodat een stemstoornis voorkomen of beperkt kan worden. Ook hierbij is Logopedie een effectief middel om (meer) problemen te voorkomen of om de stemstoornis te verhelpen.

 

Onvloeiendheden

Bij iedereen wordt de spraak wel eens kort onderbroken; men denkt even na, vergist zich bij het uitspreken van een woord (draait bijvoorbeeld twee letters om) of zoekt naar een geschikt woord etc. Ook een kind dat het spreken nog aan het leren is hapert soms even, deze onderbrekingen of haperingen worden normale onvloeiendheden genoemd. Hieronder vallen ook het eventjes te snel praten om door anderen begrepen te kunnen worden, het opnieuw – maar verbeterd – zeggen van een zinsdeel (‘Ik ga morgen… – Wij gaan morgen naar de winkel.’), het inlassen van pauzes op verkeerde momenten in een zin, het even ‘struikelen’ over een woord of juist het vertraagd uitspreken ervan, het twee keer zeggen van een woord, en het invoegen van vulwoordjes (bijvoorbeeld ‘Uuuh’) tussen woorden of zinnen. Normale onvloeiendheden worden bij oudere kinderen en volwassenen vaak veroorzaakt door stress of vermoeidheid.

Normale onvloeiendheden worden echter echte ‘Onvloeiendheden’ wanneer de spreker erg veel moeite moet doen om te praten, of wanneer de onvloeiendheden zó frequent voorkomen of opvallen dat de anderen hem of haar niet meer kunnen volgen, of dat de onvloeiendheden duidelijk de aandacht trekken van de luisteraar(s). Vooral problemen met de articulatie (het bekende stotteren) vallen op bij luisteraars, in tegenstelling tot de wisselingen in spreektempo die vaak door de luisteraar worden geïnterpreteerd als zijnde ‘momenten waarop de spreker even nadenkt hoe hij of zij iets zal gaan zeggen – of wat hij/zij zal gaan zeggen’.

Hiermee is gelijk het grootste – en meest bekende – onderwerp binnen de onvloeiendheden genoemd: het stotteren.

Stotteren kan verschillende vormen aannemen, en is pas stotteren wanneer het voldoet aan een aantal criteria (dit om de normale onvloeiendheden te kunnen onderscheiden van de problematische onvloeiendheden). Stotteren kan bijvoorbeeld het herhalen van letters of woorddelen inhouden (‘Ik b-b-b-ben acht jaar oud.’ of ‘Wij ga-ga-ga-gaan nu weg.’), het langer aanhouden van een bepaalde klank (‘Wie wwwwwwil er meedoen?’), en het ontstaan van een spraak-blokkade waarbij iemand eventjes niet verder kan met de volgende spraakklanken in een woord waarbij de stilte die dan valt soms wordt ingevuld met stopwoordjes of geluiden die verder geen betekenis hebben (‘Wie k—–lopt er op de deur?’). Hierbij geldt dat de herhalingen meer dan 3 moeten zijn per keer (drie keer of minder valt onder de normale onvloeiendheden), en het aanhouden van een bepaalde klank moet langer duren dan één seconde (één seconde of korter valt onder de normale onvloeiendheden).

Sommige mensen (ook kinderen) gaan zichzelf – in reactie op hun stotteren – andere gewoontes aanleren waarmee ze het stotteren proberen te vermijden. Hierbij kan gedacht worden aan het maken van (hand)gebaren die niet in relatie staan met de inhoud van het gesprek of bezigheden op dat moment, hoofdbewegingen zoals knikken of schudden, herhaaldelijk knipperen met de ogen etc. Daarnaast is er ook nog het emotionele aspect: mensen die stotteren voelen zich vaak onzeker en onprettig/-veilig tijdens het communiceren, of zelfs voorafgaand aan situaties waarin misschien gecommuniceerd moet gaan worden.

Stotteren kan met het ouder worden verdwijnen, maar dit gebeurt eerder wanneer het kind en zijn/haar omgeving weinig negatieve aandacht aan de onvloeiendheden besteden. Wanneer een kind langer dan anderhalf of twee jaar stottert wordt de kans echter groter dat hij/zij altijd zal blijven stotteren. Een logopedist kan uitzoeken of een kind echt stottert, of dat er sprake is van normale onvloeiendheden die bijvoorbeeld veroorzaakt worden door de nog in gang zijnde spraak-taalontwikkeling van het kind. Vroege diagnosticering is bij stotteren van groot belang, omdat het niet behandelen (door een logopedist) kan leiden tot een verergering en het chronisch worden van het stotteren. Behandeling kan daarnaast voorkomen dat een kind door zijn/haar gestotter ernstig beperkt wordt in de communicatie (zowel emotioneel als functioneel), een negatief zelfbeeld en zelfvertrouwen ontwikkelt, en wordt beperkt in zijn/haar mogelijkheden op het gebied van onderwijs en de arbeidsmarkt.

 

Motorische Spraakstoornissen

Om te kunnen spreken moet iemand zijn/haar spraakspieren en ademhaling bewust aansturen. Wanneer echter sprake is van een beschadiging van de hersendelen of de zenuwbanen die voor deze aansturing verantwoordelijk is, is iemand daar echter niet (of slechts deels) toe in staat. Hierbij worden twee vormen onderscheiden: één waarbij het probleem ligt in het vormen van spraakgeluiden (namelijk Dysarthrie), en één waarbij het probleem ligt in de planning en coördinatie van spraakgeluiden (namelijk Apraxie). Zowel dysarthrie en apraxie leiden tot zeer bemoeilijkte spraak die niet gemakkelijk te verstaan is. Iemand kan dysarthrie óf apraxie hebben, maar ook allebei.

Dysarthrie

Bij dysarthrie is er sprake van moeilijkheden met praten die worden veroorzaakt doordat de persoon de spieren van het strottenhoofd, keel, tong, kaak, lippen en/of de ademhaling niet goed kan aansturen. Deze beperking in de aansturing is het gevolg van een beschadiging in de hersenen. Hierbij hoeft het niet zo te zijn dat de persoon ook een verstandelijke beperking heeft, maar dit komt wel regelmatig voor doordat vaak ook andere hersenfuncties zijn aangedaan/verstoord door de beschadiging. Een combinatie van Dysarthrie en een taalstoornis is daardoor ook mogelijk.

Dysarthrie wordt gekenmerkt door het slechts langzaam, moeizaam, en onduidelijk kunnen spreken doordat de ademhaling en/of de spraakmotoriek ernstig is aangetast. Dysarthrie komt het meest voor bij mensen met Cerebrale Parese (hierbij zijn de hersenen beschadigd vóór, tijdens of kort na de geboorte – in ieder geval voordat het kind gaat lopen – wat leidt tot spierzwakte of verlamming, zie het betreffende onderwerp binnen het onderdeel ‘lichamelijke beperkingen’). Traumatisch hersenletsel kan echter óók leiden tot dysarthrie (zie voor een uitleg van traumatisch hersenletsel het betreffende onderwerp onder ‘lichamelijke beperkingen’).

Apraxie

Bij iemand met apraxie is de spraak langzaam, onsamenhangend en het vraagt veel inspanning (bijvoorbeeld bij het proberen te zeggen van het goede woord). De persoon wéét wat hij of zij wil zeggen, maar het lukt gewoonweg niet. Over het algemeen heeft men zelf in de gaten dat wat hij of zij zegt niet helemaal klopt, en probeert het vervolgens zelf te verbeteren. Dit verbeteren leidt echter over het algemeen alleen maar tot nog meer onduidelijkheid voor de luisteraar. De apraxie is immers ook tijdens de verbeterpoging van invloed op de spraak.

Afhankelijk van het moment waarop iemand apraxie krijgt zijn er twee vormen te onderscheiden. Ontwikkelingsapraxie is een vorm die direct aanwezig is zodra de spraak- en taalontwikkeling op gang komt, en verworven apraxie is een vorm die iemand pas op latere leeftijd krijgt wanneer hij of zij al heeft leren spreken. (bijvoorbeeld door het oplopen van een hersenbeschadiging).

Apraxie hoeft niet alleen betrekking te hebben op de spraak: het is ook een motorische beperking waardoor iemand niet goed in staat is om (groot of klein motorische) bewegingen te plannen en uit te voeren. Soms is het zo dat bewegingen die iemand onbewust doet (bijv. krabben als hij/zij ergens jeuk heeft of het impulsief zeggen van een woord) wél goed gaan, maar zodra iemand bewust een beweging (of woord/zin) wil gaan maken dan wordt die ernstig beïnvloed door de apraxie.


Leave a Reply