Aandachtspunten in de ontwikkeling

Om een kind de mogelijkheid te geven zijn of haar spraak- en taalontwikkeling optimaal te kunnen vormen is het van groot belang dat hij/zij in een omgeving wordt opgevoed waar anderen op een goede manier model staan als spreker en gebruiker van taal zodat het kind de correcte spraak en taal kan imiteren en zich eigen kan maken. Hierbij is het ook belangrijk dat zij het kind aanmoedigen om de eigen spraak- en taalvaardigheden zorgvuldig vorm te geven en te gebruiken. Ook is het van groot belang dat de omgeving van ieder kind alert is op problemen in de spraak- en taalontwikkeling door goed naar hen te luisteren en door hen bij fouten of voor hen moeilijke vaardigheden op een positieve manier te stimuleren om zich de juiste manier eigen te maken. Wanneer de omgeving van een kind op het gebied van spraak en taal een slecht voorbeeld geeft en een juiste spraak- en taalontwikkeling niet stimuleert, is de kans erg groot dat het kind het slechte voorbeeld overneemt.

 

Sociale communicatie

Binnen de algehele ontwikkeling van spraak en taal bij kinderen is op het gebied van het ontwikkelen van sociale communicatievaardigheden een grote rol weggelegd voor de leerkracht op school. Juist een leerkracht kan een kind met een spraak- en/of taalstoornis erg goed helpen wanneer hij/zij met een probleem-oplossende insteek aandacht besteed aan het sociale aspect van de communicatie. De leerkracht motiveert het kind hierbij om manieren te zoeken om zichzelf verstaanbaar en begrijpbaar te maken, en ook de anderen (de sociale omgeving) te begrijpen. De focus ligt dan niet in het benadrukken van de vorm, opbouw, en inhoud van spraak en taal maar er wordt op een meer functionele manier geoefend. Hierbij ontstaat automatisch een sociaal leerproces waarin het kind leert van de wisselwerking tussen hem/haar (zijn of haar spraak- en taaluitingen) en de omgeving (die de spraak- en taaluitingen ontvangt, verwerkt en beantwoord met eventueel een verbetering maar in ieder geval het goede voorbeeld gevend).

Het kind wordt op deze manier op school niet continu herinnerd aan het feit dat hij/zij een spraak- en/of taalprobleem heeft doordat het allerlei extra of aangepaste leerstof krijgt, maar wordt gestimuleerd om overal actief aan deel te nemen. Dit kan – afhankelijk van het feit of de klas positief reageert en de persoon accepteert – een groot positief effect hebben op het zelfbeeld van het kind, en zijn/haar aandacht richten op de eigen mogelijkheden in plaats van op de beperkingen.

Leerkrachten hebben bij de begeleiding van kinderen met een spraak- en taalprobleem echter vaak wel de expertise nodig van een logopedist, zeker wanneer de ernst van het probleem groter is. Een leerkracht heeft immers over het algemeen niet de specifieke en toepasbare kennis op het gebied van spraak- en taalstoornissen, zeker niet omdat er op individueel niveau van de leerlingen (zeker die met een spraak- en/of taalstoornis) zoveel variatie mogelijk is wat betreft mogelijkheden en beperkingen. Een logopedist kan uitleg geven aan de mogelijkheden en beperkingen van de betreffende leerling, waarop de leerkracht vervolgens de eigen expertise ten aanzien van de invulling en vormgeving van het onderwijs kan laten aansluiten.

Een bijkomende factor ten aanzien van school en een spraak- en taalstoornis, is het verschil tussen de ‘alledaagse’ taalinhoud en -structuur en de ‘schoolse’ of ook wel ‘academische’ taalinhoud en -structuur. Het taalgebruik in lesmethodes en leerboeken is vaal wat betreft de stijl (inhoud en opbouw) anders dan de taal die men gebruikt in de sociale, algemene communicatie. Kinderen met een spraak- en/of taalprobleem kunnen moeite hebben om zich (naast de alledaagse taalinhoud en structuur) ook nog eens de schoolse taalinhoud en structuur eigen te maken. In sommige gevallen is dit teveel gevraagd, en is het aan de leerkracht om de onderwijsinhoud zodanig te ‘vertalen’ dat het kind de stof wel (of beter) kan volgen. Zo wordt het kind niet belast met het taalaspect, maar krijgt het wel de mogelijkheid om zich de onderwijsleerstof eigen te maken voor zo ver dit lukt zonder gebruik en kennis van de schoolse (academische) taal.

 

Het ontwikkelen van lezen en schrijven

Voor kinderen met een spraak- en/of taalstoornis levert de ontwikkeling van lezen en/of schrijven regelmatig problemen op. Zoals al eerder beschreven (onder de kopjes spraak- en taalstoornissen) leidt een spraak- en/of taalstoornis namelijk vaak tot problemen in de woordherkenning en woordbegrip. Deze problemen komen minder vaak voor bij kinderen met uitsluitend een (pure) spraakstoornis, maar kinderen met een taalstoornis óf een combinatie van een taal- en spraakstoornis lopen een groot risico op een leesprobleem. Dit geldt in de grootste mate voor diegenen die moeite hebben met het fonologische bewustzijn; zij kunnen geschreven tekst erg moeilijk omvormen naar gesproken (en dus leesbare) woorden. Dit decoderingsproces is daarom een gebied dat extra aandacht en begeleiding verdient in het geval van een kind met een spraak- en/of taalstoornis. Hierdoor kan men de ernst van of de kans op een leesprobleem verkleinen waardoor de algehele ontwikkeling van het betreffende kind wordt gestimuleerd. Hierbij is een samenwerking tussen de leerkracht en de logopedist van groot belang; zij kunnen door gebruikmaking van elkaars expertise het beste onderwijs aan het kind aanbieden.

De schrijfvaardigheid is ook een potentieel probleemgebied voor kinderen met een taalstoornis. De gevolgen van een schrijfprobleem worden groter naarmate het kind ouder wordt. Schrijfvaardigheid wordt immers met het verstrijken van de leerjaren steeds belangrijker binnen het onderwijs; van de kinderen wordt niet alleen verwacht dat ze steeds complexere teksten kunnen lezen, maar ook dat ze steeds complexere teksten/zinnen/woorden kunnen schrijven en vooruitgaan in de schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid. Door als leerkracht duidelijke instructie te geven over hoe een tekst geschreven kan worden zodat de lezer de tekst ook begrijpt (en niet alleen de schrijver), kan de leerling zijn of haar schrijfvaardigheid verbeteren.

 

Het Zichtbaar Maken van Vooruitgang

Om duidelijkheid te krijgen van de onderwijs- en begeleidingsbehoeften van een kind met een spraak- en/of taalstoornis is het belangrijk om goed vast te stellen waarmee hij of zij problemen heeft. Op basis daarvan kan vervolgens een interventieplan worden opgesteld waarin de voor hem of haar aan te leren inhoud, vorm, sociale context, en de toepassingsvorm van taal wordt meegenomen.

Hiervoor moet men vaststellen wáár het kind zelf over praat en nog moet leren praten, hoe het kind zelf praat en wat er ter bevordering van de volgbaarheid voor de omgeving nog verbeterd kan worden, op welk niveau het kind functioneert in zijn of haar spraak- en taalgerelateerde omgeving en welke doelen hierin gesteld kunnen worden, en tot slot: hoe het kind gebruik maakt van taal en wat hieraan verbeterd kan worden in het licht van doelgerichte communicatie en socialisatie. Naast het onderwijzend personeel wordt ook logopedie vaak meegenomen bij de invulling van het interventieplan.

 

Het volgen van de vooruitgang

Over het algemeen krijgt een kind na invulling van het interventieplan eerst een periode van onderwijs/begeleiding aangeboden. Hierna volgt dan een moment van toetsing waarbij gekeken word op welk niveau het kind zich op dat moment bevindt ten aanzien van de gestelde doelen (en het oorspronkelijke niveau voordat het interventieplan tot uitvoering werd gebracht). Vervolgens wordt de uitslag van dit toetsingsmoment geëvalueerd en in het licht gehouden van de inhoud van het interventieplan. Hierbij worden bijvoorbeeld de volgende vragen beantwoord: ‘Is de geplande vooruitgang tot op dat moment bereikt?’, ‘Heeft de aanpak die wordt gehanteerd effect en is deze dus geschikt voor het kind?’ en ‘Moeten doelstellingen en/of onderwijs- en begeleidingsmethoden worden aangepast om het effect te verkrijgen of vergroten?’.

Vervolgens wordt verder gegaan met een nieuwe periode van onderwijs/begeleiding, waarna een nieuw toetsingsmoment volgt waarbij weer dezelfde vragen worden beantwoord. 

Wanneer een kind alleen in de gaten wordt gehouden met betrekking tot de vraag of hij/zij in wat betreft spraak- en taalontwikkeling in staat is om het – onaangepaste – onderwijsprogramma te volgen (dit is over het algemeen een keuze vanuit de school en vaak van toepassing op de minder ernstige spraak- en taalstoornissen), richt de interventieplanning zich uitsluitend op die vraag. Men toetst dan specifieke kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor het kunnen volgen van het onderwijsprogramma dat op de betreffende school (en in de betreffende klas) wordt aangeboden. Wanneer een kind kennis of vaardigheden mist op het gebied van spraak- en taal, wordt hiervoor een interventieplan opgesteld zodat het kind zo snel mogelijk op het gewenste niveau gebracht kan worden.

 

Vroege Interventie

Net als bij andere vormen van een beperking of stoornis kan vroege interventie ook in het geval van spraak- en/of taalstoornissen erg succesvol zijn in het bevorderen van de ontwikkeling van een kind. Specifiek voor spraak- en taalstoornissen geldt dat een kind ernstig beperkt kan worden in zijn of haar functioneren wanneer het niet – bijvoorbeeld door vroege interventie – wordt gestimuleerd in de ontwikkeling van functionele taalvaardigheid. Kinderen die immers geen gebruik kunnen maken van functionele taal, zijn niet in staat om te communiceren (wat toch de basis is voor de sociale ontwikkeling, en het sociale en onderwijsleerproces).

Vroege interventie is daarnaast van groot belang voor kinderen met een spraak en/of taalstoornis, omdat blijkt dat problemen met de spraak en taal in veel gevallen de oorzaak zijn van leerproblemen. Door middel van vroege interventie kunnen deze leerproblemen in een deel van de gevallen worden voorkomen of beperkt. De ontwikkelingskansen van het betreffende kind worden daarmee zeer sterk vergroot, zeker wanneer gekeken wordt naar het uiteindelijk te bereiken niveau van volwassen functioneren (denk hierbij aan de zelfredzaamheid van een persoon, maar ook aan de opleidingsmogelijkheden en carrièrekansen).

Bij vroege interventieprogramma’s is het van groot belang dat de interventie zo vroeg mogelijk begint; hoe ouder een kind namelijk is, hoe minder resultaat bereikt kan worden.

 

Vroege interventie en de vroegkinderlijke taalontwikkeling

De eerste drie jaren van een persoon zijn cruciaal voor de kwaliteit van de taalontwikkeling. Factoren die van invloed zijn met name de volgende: de kwaliteit van het taalgebruik in de omgeving (met name de ouders/verzorgers) van het kind, de hoeveelheid gebruikte taal in de omgeving van het kind, het aantal en de kwaliteit van de interacties tussen het jonge kind en zijn/haar omgeving, en tot slot de mate waarin ouders/verzorgers het kind stimuleren en positief bevestigen in zijn/haar gebruik van taal. Niet alleen de taalontwikkeling van het kind is van deze factoren afhankelijk, maar ook de sociale ontwikkeling en geletterdheid van het kind worden hierdoor sterk beïnvloed.

Het is dan ook belangrijk dat de focus van vroege interventie wordt gelegd op deze factoren. Inzicht in de houding van het gezin (met name de ouders/verzorgers) van een kind met spraak- en/of taalproblemen ten aanzien van het algehele gebruik en de houding ten opzichte van taal is daarbij van groot belang. Alleen dan kan men met respect en sensitiviteit inspelen op de interventiebehoefte van het kind. Regelmatig spelen immers meer factoren mee bij de ontwikkeling van spraak- of taalproblemen (denk bijvoorbeeld aan de aanwezigheid van een motorische of verstandelijke beperking of financiële problemen waardoor beide ouders vaak van huis zijn en het kind misschien wel – deels – door een oudere broer/zus wordt opgevoed).

 

Vroege interventie in het geval van een taalontwikkelingsachterstand

In een deel van de gevallen blijkt een spraak- en/of taalstoornis slechts een (ernstige of minder ernstige) achterstand te zijn. Deze kinderen doorlopen wél dezelfde ontwikkeling als andere kinderen (zonder spraak- en/of taalproblemen) maar bereiken de mijlpalen in hun spraak- en/of taalontwikkelingen op een later moment. De volgorde waarin zij de verschillende vaardigheden ontwikkelen kan ook anders zijn. De oorzaak hiervan kan liggen in de afwezigheid of beperkte aanwezigheid van de in de vorige alinea genoemde factoren (o.a. de kwaliteit en frequentie van taal in de omgeving, stimulering en positieve bevestiging van gebruik van taal, en de frequentie en kwaliteit van de interacties tussen ouders en kind). Maar ook mishandeling of verwaarlozing zijn mogelijke factoren.

De achtergrond van een spraak- en/of taalachterstand is van groot belang om te achterhalen wanneer men het kind wil helpen middels vroege interventie. Positieve invloed kan immers alleen uitgeoefend worden wanneer de veroorzakende factoren worden weggenomen (of wanneer niet mogelijk: worden verkleind).

Sommige van de kinderen met een taalontwikkelingsachterstand bereiken op een bepaalde leeftijd uiteindelijk alsnog het niveau van leeftijdgenoten, maar een deel blijft altijd een achterstand houden. Regelmatig worden deze kinderen ten onrechte gediagnosticeerd met een verstandelijke beperking of andere ontwikkelingsproblemen.

Kinderen van drie jaar of ouder die nog altijd geen gebruik maken van taal en er ook geen blijk van geven dat zij taal begrijpen, maken mogelijk wel geluidjes die vergelijkbaar zijn met de geluiden van een baby of peuter voordat bij hen de actieve taalontwikkeling op gang is gekomen. Deze kinderen maken dan gebruik van prelinguale (pre-verbale) communicatie. Een beschrijving van deze vorm is terug te vinden in het schema onder het kopje ‘Twee ontwikkelingsperioden’ binnen ‘De ‘normale’ spraak- en taalontwikkeling’. Deze kinderen maken gebruik van gebaren of verbale geluiden om een behoefte duidelijk te maken, of iemand te groeten/zijn aandacht te trekken.

Om kinderen goed te kunnen helpen met hun spraak- en taalontwikkeling is het van belang om eerst een goed beeld te krijgen van de gebaren/geluiden/taal die zij zich al eigen hebben gemaakt, en wat zij bedoelen met elk van die verschillende gebaren/geluiden/taaluitingen. Ook inzicht in de uitingen (in welke vorm dan ook) die zij spontaan uiten en de functie die communicatie heeft in hun leven zijn belangrijk. Op die manier kan een interventieprogramma worden aangesloten op de precieze mogelijkheden en kenmerken van het individu, waardoor de effectiviteit sterk wordt vergroot. Een interventieprogramma moet daarnaast gericht zijn op de sociale communicatievaardigheden; deze zijn voor jonge kinderen met een spraak- en/of taalstoornis van het grootste belang. Sociale communicatievaardigheden stellen hen immers in staat om behoeften, gedachten en gevoelens te delen. Ook zijn sociale communicatievaardigheden voorwaarde om te kunnen leren; ze zijn erg functioneel van aard en breed inzetbaar. Sociale communicatievaardigheden kunnen daarom het beste worden aangeleerd in een sociale, functionele situatie (bijvoorbeeld thuis tijdens het eten, het douchen, het spelen etc.). De interventie is in dat geval het meest effectief wanneer er wordt ingespeeld op de interesses van het kind: wanneer een kind door middel van beperkte of prelinguale communicatie een bepaalde behoefte kenbaar maakt (bijvoorbeeld de wens om te drinken of ergens mee te spelen), kan de ouder het kind stimuleren om de juiste vraag of het juiste woord te gebruiken door het goede voorbeeld te geven en het kind positief te motiveren dit te imiteren. Wanneer dit structureel gedaan wordt, krijgt het kind eenduidige en eenvoudige informatie die hij of zij kan koppelen aan een specifieke situatie of object. Hierdoor wordt het leerproces optimaal gestimuleerd; de interventie sluit immers aan op het natuurlijke gedrag van het kind.


Leave a Reply