Vroege interventie en preventie

Vroege interventie

Over het algemeen kunnen twee belangrijke aandachtsgebieden worden onderscheiden binnen de vroege interventie: Vroege herkenning en behandeling van een functiebeperking, en de ontwikkeling van communicatieve vaardigheden. Daarnaast is het van groot belang om een eventueel aanwezige ontwikkelingsachterstand zo vroeg mogelijk te herkennen, zodat direct gestart kan worden met specifieke oefeningen en trainingen. Alleen dan kan men op een vroeg moment in de ontwikkeling voorkomen dat de achterstand onnodig groot wordt. Het kind hoeft dan later minder in te halen (wanneer dit überhaupt nog mogelijk is op dat moment) en kan beter meekomen met leeftijdsgenoten.

Door middel van vroege interventie kan daarnaast een solide basis gelegd worden voor therapieën die pas op een later moment gestart kunnen worden, waardoor de resultaten gemaximaliseerd worden.

Naarmate er tijdens vroege interventie meer duidelijkheid wordt verkregen over de aard en ernst van de beperking en welke methoden en technieken het beste aansluiten bij het individuele kind, is voor alle betrokkenen ook duidelijker wat de mogelijkheden en behoeften zijn van een kind. Hierdoor zal onderwijs/trainingen die aan het kind worden aangeboden sneller resultaat opleveren, omdat niet eerst nog gezocht moet worden naar een voor dat kind werkende manier.

Communicatievaardigheid is daarnaast een belangrijk aandachtsgebied binnen vroege interventie, omdat het goed is wanneer het kind zich zo optimaal en vroeg mogelijk leert te uiten. Door middel van communicatie kan een kind immers duidelijk maken wat zijn/haar behoeften, interesses, gedachten en gevoelens zijn. Daarnaast is communicatie ook een sleutelvaardigheid bij het leren van nieuwe dingen, zeker wanneer het kind onderwijs gaat volgen. Vroeg inspelen op achterstanden of problemen bij de ontwikkeling van gesproken taal is daarom essentieel voor een optimale start van een kinderleven.

Doordat vaak verschillende professionals betrokken zijn bij vroege interventieprogramma’s (zoals een logopedist en een fysiotherapeut), zijn door deelname aan deze programma’s ook vaak de behoeften van het kind op het gebied van (loop-)hulpmiddelen en transfertechnieken (de prettigste en meest efficiënte manier van tillen, dragen, liggen, zitten etc.). Daarnaast kunnen benodigde aanpassingen aan bijvoorbeeld spel of instructie worden bedacht/ontwikkeld, waardoor het kind zo optimaal mogelijk kan deelnemen aan spelsituaties en leermomenten.

Voor begeleiders binnen een vroeg interventieprogramma is het belangrijk dat zij de kennis en vaardigheden bezitten om de kinderen grootmotorische vaardigheden bij te brengen. Denk hierbij aan hoofdbalans, omrollen, zitten, staan, en lopen. Ook kennis van de belemmerende (verkeerde) motorische reflexen is van belang om een zo optimaal mogelijk leerproces te creëren. Deze motorische vaardigheden zijn immers de basis van verdere leerervaringen zoals exploratie van de omgeving, leren eten en drinken, zindelijkheid, praten, tellen en lezen. Daarnaast zijn ook de fijn motorische vaardigheden van groot belang voor de verdere ontwikkeling. Een kind leert immers veel doordat het kan wijzen, reiken, pakken en loslaten (denk aan het spelen of lezen in een boekje).

Bij kinderen met een lichamelijke beperking kan het erg goed zijn om bewegingen aangeleerd te krijgen en te oefenen in totaalbewegingen. Daarmee wordt bedoeld dat bewegingen niet geïsoleerd worden om te oefenen, maar gezorgd wordt dat (voor het kind moeilijke) bewegingen deel uitmaken van een leuke activiteit. Hierdoor leert het kind spontaan en gemotiveerd, waarbij het wel belangrijk is dat de nog te leren beweging niet cruciaal is voor de succeservaring in de activiteit. Een kind heeft immers succeservaringen nodig voor motivatie, plezier, en een positief zelfbeeld. Activiteiten die gericht zijn op communicatie, zelfstandigheid, motivatie, toekomstig leren en creativiteit zijn niet alleen op het moment effectief, maar ook zinvol voor de toekomst van het kind. Ook activiteiten die gericht zijn op sociale responsiviteit, juiste sociale omgangsvormen, het spelen met anderen, en probleemoplossing zijn binnen vroege interventieprogramma’s erg goed voor de ontwikkeling van een kind.

 

Preventie

 

Veel lichamelijke beperkingen zijn te voorkomen; denk bijvoorbeeld aan het dragen van autogordels of het gebruiken van autostoeltjes ter preventie van traumatisch hersenletsel en andere letsels die veroorzaakt kunnen worden bij een ongeval. Ook andere praktische preventiemaatregelen kunnen veel verworven letsel voorkomen, zoals het goed opbergen van huishoudelijke schoonmaakmiddelen, medicijnen, het niet gebruiken van alcohol/tabak tijdens de zwangerschap, gezonde voeding gebruiken, een veilige of beveiligde omgeving voor een kind scheppen, het voorkomen van tienerzwangerschap, deelname aan landelijke inentingsprogramma’s tegen kinderziektes, voorkomen van kindermishandeling etc.

 

Primair geraadpleegde bron: Hallahan, D. P., Kauffman, J. M., & Pullen, P. C. (2009). Exceptional learners: Introduction to special education (11th ed.). Boston: Pearson Higher Education.


Leave a Reply