LICHAMELIJKE BEPERKING

Mensen met een lichamelijke beperking vechten vaak voor twee belangrijke aspecten in hun leven: enerzijds voor het overwinnen en accepteren van de grenzen/beperkingen in hun functioneren die door de lichamelijke beperking worden opgeworpen, en anderzijds voor acceptatie door anderen.

Zij (zowel kinderen als volwassenen) hebben immers vaak te maken met een omgeving waarin men naar hen staart en hen na kijkt, hen eng of afstotend vind, en hen pest of sociaal isoleert. Hierbij hebben zij vaak weinig tot geen aandacht/begrip voor de gevoelens van de persoon met de beperking. Dit lijkt voor een groot deel voort te komen uit de onbekendheid met mensen met een beperking. Het zien van iemand met een beperking roept bij sommigen echter ook een gevoel van lichamelijke kwetsbaarheid op, of juist een schaamtegevoel ten aanzien van de persoon met een beperking omdat hij-/zijzelf géén beperking heeft. Tot slot kan iemand zich vanuit een sociale (acceptatie) angst ook schamen in het bijzijn van iemand met een lichamelijke beperking vanwege de – vaak ontwijkende – reactie van de sociale omgeving. Hij of zij is dan bang om door anderen in dezelfde uitzonderingspositie geplaatst te worden als men doet met de persoon met de lichamelijke beperking (staren, ontwijken, pesten, etc.).

Het is belangrijk te beseffen dat mensen met een lichamelijke beperking of chronische ziekte net zo goed als anderen speciale gaven of talenten kunnen hebben. De manier waarop zij hun gave of talent tot uiting brengen kan wat betreft het lichamelijke aspect wel anders zijn, maar daarmee is de kwaliteit en het niveau van de prestatie niet anders dan bij mensen zonder beperking.

Om de capaciteiten van (met name) een kind met een lichamelijke beperking tot uiting te kunnen laten komen, is het vanwege de interfererende beperkingen erg belangrijk dat alle aspecten van het onderwijs en de zorg op elkaar worden afgestemd. Door een dergelijke interdisciplinaire benadering (waarbij bijvoorbeeld de leerkracht, een orthopedagoog, een ergotherapeut en een logopedist regelmatig met elkaar overleggen) kunnen de voortgang en doelstellingen optimaal in de gaten gehouden worden, en kan men het kind een optimale onderwijsinhoud aanbieden die persoonlijke gaven en talenten ontwikkelt.

Bij een lichamelijke (zoals ook bij een verstandelijke, auditieve of visuele) beperking is de ernst en het moment van ontstaan van de beperking van meer of mindere invloed op het sociaal-emotionele en functionele leven van een persoon. Een kind dat geboren wordt met een beperking leert bijvoorbeeld vanaf het begin af aan leven met de mogelijkheden die hij/zij heeft, terwijl iemand waarbij de beperking pas op latere leeftijd ontstaat kan profiteren van eerder eigengemaakte vaardigheden, maar ook vaardigheden kan verliezen (en opnieuw of op wellicht een andere manier moet leren).

Daarnaast is het belangrijk het onderscheid te maken tussen beperkingen/aandoeningen die acuut of chronisch zijn, en tussen beperkingen/aandoeningen die episodisch of progressief zijn. Cerebrale Parese is bijvoorbeeld een chronische beperking; iemand heeft dit en zal dit altijd hebben. Een acute beenontsteking kan iemand beperken, maar met de juiste behandeling zal de ontsteking over gaan zonder blijvende gevolgen. Epilepsie is daarentegen een episodische aandoening waarbij een persoon relatief onbeperkt kan functioneren wanneer zich geen aanvallen voordoen. Tot slot is spierdystrofie een voorbeeld van een (vaak) progressieve aandoening; de beperking neemt toe naarmate de tijd vordert.

Daartegenover is het niet zo dat een niet-progressieve beperking/aandoening geen blijvende invloed kan hebben op geleerde vaardigheden. Het is bijvoorbeeld niet zo dat kinderen met een niet-progressieve motorische beperking – wanneer ze eenmaal hebben leren lopen – altijd zullen kunnen lopen, zonder enige twijfel. Integendeel; de vaardigheid ‘lopen’ zal vaak moeten worden onderhouden door oefeningen te doen of door regelmatig een stuk(je) te lopen. Net als bij mensen zonder een beperking gaat immers een vaardigheid (en ook het spierweefsel dat bij de vaardigheid betrokken is) in kwaliteit achteruit wanneer men het niet vaak doet. Spieren (en daarmee de bewegingsuitslag van gewrichten) zullen altijd getraind moeten blijven worden om hun functie te behouden.

 

Er zijn verschillende vormen van lichamelijke beperkingen, waarbij een aantal voor kunnen komen in combinatie met een verstandelijke beperking, leerproblemen of nog andersoortige problemen.

De volgende lichamelijke beperkingen worden hier achtereenvolgens besproken:

- Cerebrale Parese

- Spina Bifida (‘open ruggetje’)

- Traumatisch hersenletsel (of ook wel: Niet Aangeboren Hersenletsel, NAH)

- Epilepsie

Voor informatie over bijkomende problemen (naast de motorische component) wordt verwezen naar de desbetreffende themapagina. Specifieke informatie ten aanzien van bijkomende problemen wordt hieronder wel gegeven wanneer van toepassing.

 

Tot slot wordt nog aandacht besteed aan Vroege Interventie, PreventiePsychologische en GedragskenmerkenHulpmiddelen, en Transitie in het geval van lichamelijke beperkingen.


Leave a Reply