Wat is het?

Doofheid versus Slechthorendheid

Professionals die uitsluitend uitgaan van de fysieke eigenschappen (de kwaliteit van ‘de apparatuur’; het gehoor) zien het onderscheid tussen doofheid en slechthorendheid echter op een andere manier. Zij maken hierin geen onderscheid op basis van de mogelijkheid tot het horen van gesproken taal, maar puur op basis van het meetbare gehoorverlies. Mensen die vanaf een bepaald volume geen geluiden meer waarnemen worden door hen als doof aangemerkt.

Het volume van geluiden wordt geclassificeerd op basis van het aantal decibellen (dB). Nul decibel geeft het volume aan waarop een gemiddeld persoon zonder auditieve beperking nog net geluid kan waarnemen. De mate van slechthorendheid/doofheid wordt door de professionals die afgaan op de fysieke eigenschappen van een persoon bepaald aan de hand van het aantal decibellen waarop mensen geluid kunnen waarnemen. De maatstaf die zij hiervoor voeren is dat iemand die pas bij een geluidssterkte van 90 decibellen of meer kan horen, als ‘doof’ wordt aangemerkt. Mensen met een gehoorbeperking die onder deze 90 decibel ligt, worden als ‘slechthorend’ aangemerkt. Ter vergelijking: dit is bijvoorbeeld het kunnen horen van een draaiende motor op 1 meter afstand.

De indeling die deze professionals hanteren ten aanzien van de ernst van de auditieve beperking is de volgende:

- Gehoorverlies van 26-40 dB wordt gezien als licht.

- Gehoorverlies van 41-55 dB wordt gezien als matig.

- Gehoorverlies van 56-70 dB wordt gezien als matig-ernstig.

- Gehoorverlies van 71-90 dB wordt gezien als ernstig.

- Gehoorverlies van 91 en meer dB wordt gezien als zwaar.

 

Professionals die uitgaan van het ontwikkelingsperspectief baseren hun onderscheid tussen doofheid en slechthorendheid op de mate waarin de auditieve beperking iemand belemmert in het ontwikkelen van (gesproken) taal. Vanwege het sterke oorzakelijke verband tussen het hebben van een auditieve beperking en een vertraging in de taalontwikkeling, wordt door deze professionals het onderscheid uitsluitend gemaakt op basis van de gesproken taalvaardigheden.

Vanwege de ‘meningsverschillen’ tussen de verschillende disciplines is er een algemeen te hanteren onderscheid geformuleerd tussen doofheid en slechthorendheid:

Doofheid: iemand is doof wanneer iemand door middel van zijn/haar gehoor niet in staat is succesvol linguïstische informatie te ontvangen (met ander woorden: gesproken taal te verstaan), met of zonder gehoorhulpmiddelen.

Slechthorendheid: iemand is slechthorend wanneer hij/zij (met of zonder gebruik van gehoorhulpmiddelen) in staat is door middel van zijn/haar gehoor linguïstische informatie waar te nemen (met andere woorden: gesproken taal kunnen verstaan).

Het is duidelijk dat er verschillende meningen bestaan over de definitie en classificatie van doofheid en slechthorendheid. Een belangrijk aandachtspunt is hierbij dat geen van de werkwijzen op een zeer precieze en ondiscutabele manier kan meten wat de mate van doofheid is. Het is dan ook belangrijk om geen enorme waardes en consequenties te hangen aan één van deze wijzen van definitie en classificatie; je blijft te maken hebben met levende, zich ontwikkelende mensen met eigen mogelijkheden en beperkingen die allen aandacht verdienen.

 

Soorten Doofheid

Er zijn verschillende soorten doofheid te onderscheiden, op basis van het moment waarop de doofheid is ontstaan. Dit onderscheid wordt gemaakt omdat het moment waarop de doofheid is ontstaan van grote invloed is op de gevolgen van deze doofheid voor het leerproces.

Congenitale doofheid: De doofheid is al aanwezig bij de geboorte van het kind.

Verworven doofheid: De doofheid is pas ontstaan na de geboorte.

 

Een ander (aanvullend) onderscheid, meer specifiek gericht op de mogelijkheden die het kind heeft gehad ten aan zien van taalontwikkeling:

Prelinguale doofheid: Het kind is doof geboren of doof geworden voordat de spraak- en taalontwikkeling op gang is gekomen. Het moment waarop deze ontwikkeling gemiddeld genomen op gang komt is nog niet duidelijk; schattingen liggen tussen de zesde en de achttiende maand.

Postlinguale doofheid: De doofheid is ontstaan nadat de spraak- en taalontwikkeling op gang is gekomen.

 

Een laatste onderscheid wordt gemaakt met betrekking tot de oorzaak van een auditieve beperking:

Perceptief (sensori-neuraal) gehoorverlies: Deze vorm van gehoorverlies houdt in dat de oorzaak ligt in problemen in het binnenoor.

Geleidings (conductief) gehoorverlies: Deze vorm van gehoorverlies houdt in dat de oorzaak ligt in het geleiden van geluid door het buiten- en middenoor (bijvoorbeeld een aangeboren dichte gehoorgang).

Gemengd gehoorverlies: Bij deze vorm van gehoorverlies is sprake van zowel perceptieve problemen als van geleidingsproblemen.

 

Over het algemeen zijn auditieve beperkingen met een gehoorverlies van meer dan 60/70 dB het gevolg van perceptief gehoorverlies. Een audiogram is een techniek waarmee kan worden onderzocht van welke vorm van gehoorverlies sprake is. Hierbij wordt onderzocht welke geluiden iemand kan horen op het laagste aantal decibel (volume), in verschillende frequenties (toonhoogtes; Hertz).

 

De Bouw en Werking van het Oor

Het menselijk oor bestaat globaal uit drie gedeelten: het buitenoor, het middenoor, en het binnenoor.

 

Het buitenoor

De oorschelp en de gehoorgang zijn onderdelen van het buitenoor. De gehoorgang eindigt bij het trommelvlies, dat het buitenoor van het middenoor scheidt. De oorschelp vangt geluid op en leidt het door de gehoorgang naar het trommelvlies (het trommelvlies behoort tot het middenoor).

 

Het middenoor

Het middenoor heeft als belangrijkste functie om het geluid dat door het buitenoor wordt opgevangen te versterken.

Het middenoor bestaat uit het trommelvlies dat door de geluidsgolven (waaruit geluid bestaat) die via het buitenoor worden aangevoerd in beweging/trilling wordt gebracht. Deze trillingen worden doorgegeven aan de trommelholte (de met lucht gevulde holte direct achter het trommelvlies). Deze holte staat door middel van de Buis van Eustachius in verbinding met de keelholte, om (bijvoorbeeld door te geeuwen of te slikken) de luchtdruk in het oor gelijk te houden met de buitenlucht. In de trommelholte bevinden zich drie zeer kleine botjes (de ‘hamer’, het ‘aambeeld’ en de ‘stijgbeugel’) die de trillingen van het trommelvlies vertalen naar het ‘ovalen venster’ (de opening van het slakkenhuis; onderdeel van het binnenoor).

De beoogde versterking van het geluid wordt tot stand gebracht doordat het ovalen venster een veel kleiner oppervlak heeft dan het trommelvlies.

 

Het binnenoor

Het binnenoor heeft als functie om de (inmiddels versterkte) trillingen om te zetten in elektrische impulsen dat via de gehoorzenuw kan worden doorgegeven aan de hersenen.

Het bestaat uit het ‘labyrinth’ (een groep halfcirkelvormige kanalen en twee zakjes, allen gevuld met een vloeistof, die het evenwichtsorgaan vormen), en het slakkenhuis.

Het evenwichtsorgaan neemt versnellingen en vertragingen van het lichaam waar, maar ook de positie van het hoofd. Deze informatie wordt doorgegeven aan de evenwichtszenuw.

Het slakkenhuis is gevuld met vocht, dat in beweging gezet wordt door de trillingen in het ovalen venster. De binnenwand van het slakkenhuis zijn gevuld met ontelbaar veel hele kleine haarcellen (ook wel trilhaartjes), die door het in beweging komen van de vloeistof zelf ook in beweging worden gebracht. De trilling van de trilhaartjes wordt omgezet in elektrische impulsen en doorgegeven aan de gehoorzenuw. Welke trilhaartjes in beweging worden gebracht hangt af van de toonhoogte van het geluid.

 

 

Onderzoeksmethoden

Er kunnen vier soorten gehoortests worden onderscheiden: Screening, Toon-audiometrie, Spraak-audiometrie, en gespecialiseerde tests voor zeer jonge kinderen. Afhankelijk van de eigenschappen van de persoon die getest wordt, wordt gekozen welke van deze tests wordt toegepast. Dit kan ook een combinatie van tests zijn.

 

Screening

De inhoud van Screeningtests is afhankelijk van de leeftijdsgroep waarin de te testen persoon valt. Een deel van de screeningtests bestaat uit een meting van oto-akoestische emissies met behulp van computersoftware. Oto-akoestische emissies zijn zeer zwakke geluiden die worden geproduceerd door het slakkenhuis, in reactie op geluiden van buitenaf. Ze worden via elektroden op de schedel waargenomen. De resultaten van deze meting geeft duidelijkheid over de mate waarin het slakkenhuis goed functioneert.

 

Toon-audiometrie

Toon-audiometrie wordt toegepast om vast te stellen waar de drempel (qua toonhoogte in Hertz & qua intensiteit in decibellen) van iemand ligt om zuivere tonen te horen. Deze drempel ligt daar waar men het eerste geluid (oplopend in toonhoogte) kan waarnemen. Wat betreft de intensiteit geldt dat iemand met een gemiddeld, onbeperkt gehoor nog net kan horen bij een intensiteit van nul decibel (dB). Het is daarbij niet zo dat 20 decibel dubbel zo hard is als 10 decibel: met elke tien dB dat de intensiteit van een geluid toeneemt, wordt de hardheid van het geluid vertienvoudigd. Twintig dB is daarmee 10 keer harder dan tien dB, maar dertig dB is 100 keer harder dan 10 dB.

Het aantal Hertz van een geluid (toonhoogte in dit geval) varieert over het algemeen tussen de 125 Hertz (Hz) en de 8000 Hz. De meeste toonhoogtes in een normaal gesprek variëren tussen de 500 en 2000 Hz.

Tijdens de test krijgt een persoon (via een koptelefoon) verschillende zuivere tonen te horen op verschillende geluidssterktes. Voor elke frequentie wordt gescoord bij hoeveel decibel de toon wordt waargenomen (bijvoorbeeld: de toon van 500 Hz wordt waargenomen bij 50 dB, waar een persoon zonder auditieve beperking de toon zou waarnemen bij 0 dB).

Een andere vorm van toon-audiometrie is middels een blokje dat tegen het bot (de processus mastoïdeus) net achter de oorlel wordt gehouden. Dit blokje geeft de trillingen (Hz) door aan het bot, waardoor de waarneming van geluid kan worden gemeten. Normaal gesproken hoort men beter via luchtgeleiding dan via botgeleiding.

 

Spraak-audiometrie

Spraak-audiometrische tests worden toegepast om in kaart te brengen in hoeverre spraak wordt waargenomen. Er worden twee drempels vastgesteld:

-          De drempel voor het bewustzijn van spraak (de ‘speech awareness treshold’). Dit is het laagste aantal dB’s waarop de aanwezigheid van spraak wordt waargenomen.

-          De drempel voor het verstaan van spraak (de ‘speech reception treshold’). Dit is het laagste aantal dB’s waarop waargenomen woorden bestaande uit twee lettergrepen kunnen worden nagesproken.

 

Tests voor jonge en/of moeilijk te testen kinderen

De eerder genoemde tests zijn niet geschikt om een realistische meting te doen bij mensen die (bijvoorbeeld door een verstandelijke beperking) niet in staat zijn de bedoeling van die tests te begrijpen en adequaat te reageren (er moeten immers opdrachten worden begrepen, onthouden en uitgevoerd). Voor deze doelgroep is een andere testwijze noodzakelijk. Voorbeelden van dergelijke, beter geschikte tests zijn: de Spel-audiometrieTympanometrie, en ‘Evoked Response’ Audiometrie.

Bij Spelaudiometrie wordt het kind/de persoon spelenderwijs geleerd een bepaalde reactie te geven wanneer hij/zij een signaal hoort. Deze reacties zijn speciaal aangepast aan en uitdagend voor de persoon die getest wordt; bijvoorbeeld het pakken van een gekleurd blokje, slaan op een trommel, etc.

Bij Tympanometrie krijgt het kind/de persoon een rubberen oordopje in het oor dat de gehoorgang geheel afsluit voor andere (storende) geluiden, waarna het gehoor gemeten wordt door middel van een drukmeting van het trommelvlies in reactie op kleine volumeveranderingen van geluid. Problemen zoals een trommelvliesperforatie en vocht/slijm in het middenoor kunnen hiermee ook worden vastgesteld; de drukverandering wijkt dan op een karakteristieke manier af van de verwachting.

Bij een Evoked Response Audiometrie worden veranderingen in hersenactiviteit gemeten met behulp van een EEG. Deze test kan worden afgenomen tijdens de slaap of onder verdoving wanneer dit nodig is. Belangrijk is wel om invloeden zoals middenoorproblemen (zoals ontstekingen of verstopping) uit te sluiten om een zuiver resultaat te krijgen. Een Evoked Response Audiometrie kan worden gebruikt om perceptief gehoorverlies vast te stellen.


Leave a Reply